Tijdwoorden in het Spaans: Vandaag, Morgen, Soms en Altijd

Oct 12, 2026
Thumbnail tijdwoorden in het Spaans

Tijdwoorden in het Spaans heb je in bijna elke zin nodig: wanneer gebeurt iets, hoe vaak, en in welke volgorde. Het goede nieuws: hoy, mañana, luego en siempre veranderen nooit van vorm. In deze blog zetten we ze op een rij: vandaag, morgen en gisteren, nu en straks, soms, vaak, altijd en nooit, eerst en daarna, en elke dag of een keer per week. Je leert ook welk tijdwoord bij welke werkwoordstijd hoort en waar je het in de zin zet. Onderaan staat een tabel met de 40 belangrijkste tijdwoorden met uitspraak, plus een oefening.

🇪🇸 Gratis cursus Spaans (inclusief app)

Video's, oefeningen en persoonlijke hulp. Vul je naam en e-mail in en je zit binnen 2 minuten in je eerste les.

📚 Inhoudsopgave

Vandaag, morgen en gisteren in het Spaans

Begin met de drie woorden die je elke dag gebruikt: hoy, mañana en ayer. Daar hangen een paar woorden omheen voor overmorgen, eergisteren (anteayer) en de delen van vandaag.

Spaans Nederlands Voorbeeldzin
hoyvandaagHoy no trabajo. Vandaag werk ik niet.
mañanamorgenMañana vamos a la playa. Morgen gaan we naar het strand.
ayergisterenAyer llovió mucho. Gisteren regende het veel.
pasado mañanaovermorgenPasado mañana vuelvo a casa. Overmorgen ga ik naar huis.
anochegisteravond, vannacht (afgelopen nacht)Anoche no dormí bien. Vannacht heb ik slecht geslapen.
esta mañanavanochtendEsta mañana he desayunado tarde. Vanochtend heb ik laat ontbeten.
esta nochevanavond, vannacht (komende nacht)Esta noche cenamos fuera. Vanavond eten we buiten de deur.
mañana por la mañanamorgenochtendMañana por la mañana salimos. Morgenochtend vertrekken we.

Let op mañana: zonder lidwoord is het "morgen", met lidwoord (la mañana) is het "de ochtend". Daarom is "'s ochtends" por la mañana en morgenochtend letterlijk mañana por la mañana; vanmiddag is esta tarde. En "tot morgen" is hasta mañana, zonder la. Meer afscheidszinnen zoals hasta luego vind je in begroetingen in het Spaans.

Nu, straks en later in het Spaans

Voor "nu" heb je ahora, voor "straks" en "later" een paar woorden die net iets anders zijn. Valkuil: Spanjaarden gebruiken ahora ook voor "zo meteen". ¡Ahora voy! betekent "ik kom eraan", niet per se nu.

Spaans Nederlands Voorbeeldzin
ahoranu (en: zo meteen)Ahora no puedo hablar. Nu kan ik niet praten.
ahora mismonu meteenLo hago ahora mismo. Ik doe het nu meteen.
luegostraks, later, daarnaTe llamo luego. Ik bel je straks.
más tardelaterHablamos más tarde. We praten later verder.
prontobinnenkort, snelNos vemos pronto. We zien elkaar binnenkort.
dentro de pocobinnenkort, over een poosjeDentro de poco llega el tren. Over een poosje komt de trein.

Luego is het gewone woord voor straks: hasta luego is letterlijk "tot straks". Het betekent ook "daarna", de context bepaalt. En pronto is "snel" of "binnenkort", maar in Spanje ook "vroeg" (naast temprano): Es muy pronto para cenar, het is nog te vroeg om te eten.

"Over" een tijd is dentro de: dentro de una hora (over een uur), dentro de dos semanas (over twee weken). Je hoort ook en dos semanas, maar dentro de is altijd goed.

Soms, vaak, altijd en nooit in het Spaans: hoe vaak?

De tweede groep zegt hoe vaak iets gebeurt, van altijd naar nooit. "Vaak" kan ook met muchas veces, "zelden" met rara vez, en jamás is een sterker "nooit".

Spaans Nederlands Voorbeeldzin
siemprealtijdSiempre desayuno en casa. Ik ontbijt altijd thuis.
casi siemprebijna altijd, meestalCasi siempre llego a tiempo. Ik ben meestal op tijd.
normalmentenormaal gesproken, meestalNormalmente como a las dos. Normaal eet ik om twee uur.
a menudovaakVoy a menudo a Valencia. Ik ga vaak naar Valencia.
a vecessomsA veces trabajo los sábados. Soms werk ik op zaterdag.
de vez en cuandoaf en toeDe vez en cuando vamos al cine. Af en toe gaan we naar de bioscoop.
casi nuncabijna nooit, zeldenCasi nunca bebo alcohol. Ik drink bijna nooit alcohol.
nuncanooitNunca como carne. Ik eet nooit vlees.
alguna vezooit, wel eens¿Has estado alguna vez en Granada? Ben je ooit in Granada geweest?

Dan de belangrijkste regel van deze blog: nunca en de dubbele ontkenning. Staat nunca vóór het werkwoord, dan is de zin klaar: Nunca voy al gimnasio. Staat het erachter, dan moet er no voor het werkwoord: No voy nunca al gimnasio. Wat niet kan, is Voy nunca al gimnasio. Die dubbele ontkenning is verplicht, net als bij no tengo nada.

"Nog nooit" is gewoon nunca, het "nog" valt weg: Nunca he estado en Madrid. Wil je dat "nog" benadrukken, dan zeg je todavía no; meer daarover in ya of todavía in het Spaans. En "ooit" in een vraag is alguna vez.

Eerst, daarna en dan in het Spaans: volgorde aangeven

Vertel je wat je hebt gedaan of nog gaat doen, dan heb je woorden nodig voor de volgorde.

Spaans Nederlands Voorbeeldzin
primeroeerstPrimero vamos al mercado. Eerst gaan we naar de markt.
antes de + werkwoordvoordatAntes de salir, cierro las ventanas. Voordat ik wegga, sluit ik de ramen.
despuésdaarna, laterDespués tomamos un café. Daarna drinken we een koffie.
después de + werkwoordnadat, na hetDespués de comer, dormimos la siesta. Na het eten doen we een siësta.
luegodaarna, danLuego vamos a la playa. Dan gaan we naar het strand.
entoncestoen, danEntonces no tenía coche. Toen had ik geen auto.
al finaluiteindelijkAl final no fuimos. Uiteindelijk zijn we niet gegaan.

Een typisch Spaans verhaaltje: Primero desayunamos, después vamos a la playa, luego comemos y al final dormimos la siesta. Eerst ontbijten we, daarna gaan we naar het strand, dan eten we en uiteindelijk doen we een siësta.

Let op antes de en después de: daar komt het hele werkwoord achter. Después de comer is "na het eten" of "nadat we gegeten hebben", in één keer. Zonder de is het fout.

Elke dag, de hele dag en een keer per week in het Spaans

De laatste groep: hoe vaak precies, en hoe lang. Het systeem: cada of todos los voor "elke", todo el voor "de hele", en una vez a la voor "een keer per".

Spaans Nederlands Voorbeeldzin
cada día / todos los díaselke dagTrabajo todos los días. Ik werk elke dag.
todo el díade hele dagHa llovido todo el día. Het heeft de hele dag geregend.
una vez a la semanaeen keer per weekVoy al gimnasio una vez a la semana. Ik ga een keer per week naar de sportschool.
los lunesop maandag, elke maandagLos lunes tengo clase de español. Op maandag heb ik Spaanse les.

Cada día en todos los días betekenen hetzelfde; Spanjaarden zeggen vaker todos los días. Let op het lidwoord: todos los días, nooit todos días. Todo past zich aan: toda la noche, todas las semanas.

Bij "per" gebruik je a la of al: una vez a la semana, dos veces al mes. Dagen krijgen een lidwoord: el lunes is "aanstaande maandag", los lunes "elke maandag". Geen en ervoor. Alle dagen staan in dagen van de week in het Spaans.

Tijdwoorden in het Spaans en werkwoordstijden: welk woord bij welke tijd

Het tijdwoord in de zin verraadt meestal al welke werkwoordstijd je nodig hebt.

Tijdwoord Werkwoordstijd Voorbeeldzin
hoy, esta semana, este año, ya, todavía no, alguna vezpretérito perfecto (he comido)Hoy he comido paella. Vandaag heb ik paella gegeten.
ayer, anoche, la semana pasada, el año pasado, en 2015pretérito indefinido (comí)Ayer comí paella. Gisteren at ik paella.
antes, siempre, de pequeño (gewoonte van vroeger)imperfecto (comía)Antes comía mucha carne. Vroeger at ik veel vlees.
ahora, siempre, a veces, todos los días (nu)presente (como)Siempre como a las dos. Ik eet altijd om twee uur.
mañana, luego, pronto, la semana que vieneir a + werkwoord of futuro (voy a comer, comeré)Mañana voy a comer paella. Morgen ga ik paella eten.

Het verschil tussen hoy en ayer is het belangrijkste. Bij een periode die nog loopt (vandaag, deze week) hoort in Spanje he comido, uit pretérito perfecto in het Spaans. Bij een afgesloten periode (gisteren, vorige week) gebruik je comí, uit pretérito indefinido in het Spaans. Ayer he comido klinkt dus vreemd.

Antes, siempre en todos los días kunnen twee kanten op: gaat het over nu, dan presente; gaat het over vroeger, dan de gewoontetijd comía uitimperfecto in het Spaans. Bij mañana en luego pak je meestal ir a + infinitivo. Alle tijden naast elkaar vind je in Spaanse werkwoordstijden.

Waar zet je tijdwoorden in het Spaans in de zin?

De Spaanse woordvolgorde is losser dan de onze, en er is geen omkering: "Morgen ga ik naar Madrid" wordt gewoon Mañana voy a Madrid. Een paar regels:

Regel Goed Nederlands
hoy, ayer, mañana: begin of eind van de zinHoy no trabajo. / No trabajo hoy.Vandaag werk ik niet.
siempre en nunca: direct vóór het werkwoordSiempre llego tarde. / Nunca llego tarde.Ik kom altijd te laat. / Ik kom nooit te laat.
nunca achter het werkwoord: dan no ervoorNo llego nunca tarde.Ik kom nooit te laat.
Nooit tussen haber en het voltooid deelwoordSiempre he vivido aquí. (niet he siempre vivido)Ik heb hier altijd gewoond.

De grootste valkuil zit in de laatste regel. In het Nederlands zet je "altijd" tussen "heb" en "gewoond"; in het Spaans blijven he en vivido naast elkaar: siempre he vivido of he vivido siempre. Verder: maak je niet te druk. Alleen nunca zonder no achter het werkwoord is echt fout.

De 40 belangrijkste tijdwoorden in het Spaans in één tabel

Alles op een rij, om op te slaan. Klemtoon in hoofdletters; de c in veces en de z in vez zijn een licht geslispte s, zoals Spanjaarden doen.

Spaans Uitspraak Nederlands
hoyojvandaag
mañanama-NJA-namorgen; la mañana = de ochtend
ayera-JERgisteren
anteayeran-te-a-JEReergisteren
pasado mañanapa-SA-do ma-NJA-naovermorgen
anochea-NO-tsjegisteravond, afgelopen nacht
esta mañanaES-ta ma-NJA-navanochtend
esta tardeES-ta TAR-devanmiddag
esta nocheES-ta NO-tsjevanavond, vannacht
ahoraa-O-ranu, zo meteen
ahora mismoa-O-ra MIES-monu meteen
en seguidaen se-GIE-dazo meteen, direct
luegoLWE-gostraks, daarna
más tardemas TAR-delater
prontoPRON-tobinnenkort, snel, vroeg
dentro de pocoDEN-tro de PO-kobinnenkort
tempranotem-PRA-novroeg
tardeTAR-delaat
antesAN-teseerder, vroeger
despuésdes-PWESdaarna, later
primeroprie-ME-roeerst
entoncesen-TON-sestoen, dan
mientrasMJEN-trasterwijl, ondertussen
al finalal fie-NALuiteindelijk
por últimopor OEL-tie-moten slotte
siempreSJEM-prealtijd
casi siempreKA-sie SJEM-prebijna altijd, meestal
normalmentenor-mal-MEN-tenormaal gesproken, meestal
a menudoa me-NOE-dovaak
muchas vecesMOE-tsjas BE-sesvaak
a vecesa BE-sessoms
de vez en cuandode bes en KWAN-doaf en toe
casi nuncaKA-sie NOEN-kabijna nooit, zelden
rara vezRA-ra beszelden
nuncaNOEN-kanooit
jamáscha-MASnooit (sterker)
alguna vezal-GOE-na besooit, wel eens
todos los días / cada díaTO-dos los DIE-as / KA-da DIE-aelke dag
todo el díaTO-do el DIE-ade hele dag
una vez a la semanaOE-na bes a la se-MA-naeen keer per week

Begin met de eerste tien plus siempre, a veces en nunca. Daarmee red je je in de meeste gesprekken.

Overzicht in één beeld

Infographic tijdwoorden in het Spaans: vandaag, morgen, gisteren, nu, straks, binnenkort, altijd, vaak, soms, nooit en elke dag met voorbeeldzinnen
Overzicht: de belangrijkste tijdwoorden in het Spaans met een voorbeeldzin per woord.

Veelgemaakte fouten

❌ Fout: Voy nunca al cine.
✓ Correct: Nunca voy al cine. / No voy nunca al cine.
Uitleg: Staat nunca achter het werkwoord, dan moet er no voor het werkwoord. Vooraan staat nunca alleen.
❌ Fout: ¡Hasta la mañana!
✓ Correct: ¡Hasta mañana!
Uitleg: Mañana zonder lidwoord is morgen. La mañana is de ochtend. Hasta la mañana betekent dus tot de ochtend.
❌ Fout: En la mañana tomo café.
✓ Correct: Por la mañana tomo café.
Uitleg: In de ochtend is por la mañana, net als por la tarde en por la noche. Alleen bij een kloktijd: a las ocho de la mañana.
❌ Fout: Trabajo todos días.
✓ Correct: Trabajo todos los días.
Uitleg: Na todos komt altijd het lidwoord: todos los días, todas las semanas. Zonder lidwoord gebruik je cada: cada día.
❌ Fout: Ayer he comido paella.
✓ Correct: Ayer comí paella.
Uitleg: Ayer is afgesloten en vraagt om de indefinido (comí). He comido hoort bij hoy, esta semana of este año.
❌ Fout: Después comer vamos a la playa.
✓ Correct: Después de comer vamos a la playa.
Uitleg: Komt er een werkwoord achter después of antes, dan moet er de tussen: después de comer, antes de salir.

Oefening: tijdwoorden in het Spaans

Vul het Spaanse tijdwoord in. De antwoorden staan onder de streep.

1. _______ (vandaag) hace mucho sol.

2. _______ (gisteren) fui al mercado.

3. ¡Hasta _______! (tot morgen)

4. _______ (soms) comemos en un restaurante.

5. _______ (nooit) bebo café por la noche.

6. Vamos a Barcelona _______ (overmorgen).

7. Voy al gimnasio dos veces _______ (per week).

8. _______ (eerst) desayuno y _______ (daarna) trabajo.

9. Te llamo _______ (straks).

10. _______ (altijd) llegas tarde.

 

Antwoorden: 1: Hoy, 2: Ayer, 3: mañana, 4: A veces, 5: Nunca, 6: pasado mañana, 7: a la semana, 8: Primero, después (of luego), 9: luego (of más tarde), 10: Siempre

Vond je deze oefening leuk? 🇪🇸
In onze gratis cursus Spaans krijg je hier veel meer van: video-uitleg, oefeningen en persoonlijke hulp bij elke les.
👉 Volg hier gratis de cursus Spaans

Veelgestelde vragen over tijdwoorden in het Spaans

Hoe zeg je vandaag in het Spaans?

Vandaag is hoy (oj): Hoy no trabajo, vandaag werk ik niet. Vanochtend is esta mañana, vanavond esta noche.

Wat is morgen in het Spaans?

Morgen is mañana (ma-NJA-na). Met lidwoord, la mañana, is het de ochtend; morgenochtend is dus mañana por la mañana. Tot morgen is hasta mañana, overmorgen pasado mañana.

Hoe zeg je gisteren in het Spaans?

Gisteren is ayer (a-JER), eergisteren anteayer, gisteravond anoche. Bij ayer hoort de indefinido: Ayer comí paella, niet ayer he comido.

Hoe zeg je soms in het Spaans?

Soms is a veces (a BE-ses), twee woorden: A veces trabajo los sábados, soms werk ik op zaterdag. Af en toe is de vez en cuando.

Hoe zeg je altijd in het Spaans?

Altijd is siempre (SJEM-pre). Het staat meestal direct voor het werkwoord: Siempre llego tarde. Meestal is casi siempre of normalmente.

Hoe zeg je nooit in het Spaans?

Nooit is nunca (NOEN-ka), sterker is jamás. Vooraan staat het alleen: Nunca como carne. Achter het werkwoord heb je no nodig: No como nunca carne.

Hoe zeg je vaak in het Spaans?

Vaak is a menudo (a me-NOE-do) of muchas veces: Voy a menudo a España, ik ga vaak naar Spanje. Elke dag is todos los días.

Hoe zeg je binnenkort in het Spaans?

Binnenkort is pronto (PRON-to) of dentro de poco: Nos vemos pronto, we zien elkaar binnenkort. Straks is luego, later más tarde.

Spaans leren met onze cursussen

Gebruik deze blog als opstap om verder te leren met onze online cursussen. Of je nu net begint of al gevorderd bent, je leert stap voor stap vloeiend Spaans spreken met persoonlijke begeleiding van twee docenten.

✨ Of bekijk het volledige overzicht: Bekijk alle cursussen Spaans.

🧭 Benieuwd wat jouw niveau is? Doe de gratis taaltest Spaans en ontdek direct welke cursus bij jou past.

👉 Bekijk hier onze complete bloghub Spaans leren

🎁 Start hier de gratis cursus Spaans (inclusief app) en leer de basis met leuke video's en oefeningen.

Saludos,
Lusiana y Leroy ❤️

🇪🇸 KRIJG ONZE GRATIS ONLINE CURSUS SPAANS! 🇪🇸

De leukste en beste manier om goed Spaans te leren spreken

✅ Gratis (en heel leuk!❤️)
✅ Videolessen, quizzen, podcasts en ebooks.
✅
Persoonlijke hulp in onze online leeromgeving (en ja, ook gratis!)

Na aanmelden ontvang je jouw inlogcode en instructies via email.

Al meer dan 30.000 mensen doen mee, jij ook?

We zullen jouw informatie nooit verkopen, om welke reden dan ook.