Spaanse Werkwoordstijden: Overzicht van Alle Tijden + Uitleg

Oct 12, 2026
Thumbnail Spaanse werkwoordstijden

Spaanse werkwoordstijden: presente, perfecto, indefinido, imperfecto, futuro, condicional, subjuntivo. Hoeveel zijn het er nou eigenlijk, en welke heb je écht nodig? In deze blog zetten we alle tijden in het Spaans op een rij. Per tijd krijg je één korte uitleg: wanneer je hem gebruikt, hoe hablar (praten) eruitziet en welke signaalwoorden erbij horen. Wil je de diepte in, dan linken we naar de uitgebreide blog per tijd. Aan het eind staat hablar in alle tijden in één tabel, plus de leervolgorde en een oefening.

🇪🇸 Gratis cursus Spaans (inclusief app)

Video's, oefeningen en persoonlijke hulp. Vul je naam en e-mail in en je zit binnen 2 minuten in je eerste les.

📚 Inhoudsopgave

Hoeveel tijden heeft het Spaans? Alle Spaanse werkwoordstijden per niveau

Officieel heeft het Spaans een stuk of zestien werkwoordstijden: tien in de indicativo (de gewone, feitelijke wijs) en zes in de subjuntivo (de aanvoegende wijs). Schrik niet: een paar daarvan gebruikt zelfs een Spanjaard nooit. In de praktijk kom je met tien tijden door elk gesprek, en als beginner heb je er met drie al genoeg voor een vakantie. Zo zijn de Spaanse werkwoordstijden verdeeld over de niveaus:

Niveau Welke tijden leer je
A1presente, ir a + infinitivo, estar + gerundio
A2pretérito perfecto, indefinido, imperfecto, futuro simple, gebiedende wijs
B1pluscuamperfecto, condicional, presente de subjuntivo
B2 en C1imperfecto de subjuntivo, samengestelde tijden (habría hablado, haya hablado)

Een werkwoordstijd zegt niet alleen wanneer iets gebeurt, maar ook hoe je ernaar kijkt: afgerond of nog bezig, feit of wens. Daarom heeft het Spaans drie verleden tijden, waar je in het Nederlands vaak met één vorm wegkomt. Dat is het lastigste stuk, dus daar gaan we zo het diepst op in.

Tegenwoordige tijd Spaans: de presente

De presente is de tegenwoordige tijd en de eerste tijd die je leert. Je gebruikt hem voor wat nu gebeurt, voor gewoontes, voor algemene waarheden en stiekem ook voor de nabije toekomst, net als in het Nederlands.

Spaans Nederlands Gebruik
Hablo español.Ik spreek Spaans.feit, algemene waarheid
Hablamos cada domingo.We praten elke zondag.gewoonte
Mañana hablo con el jefe.Morgen praat ik met de baas.nabije toekomst

Regelmatige werkwoorden volgen een vast patroon: hablo, hablas, habla, hablamos, habláis, hablan. De drie groepen (-ar, -er, -ir) vind je in Spaanse werkwoorden vervoegen in de presente. Signaalwoorden: ahora (nu), siempre (altijd), normalmente (normaal gesproken), todos los días (elke dag).

Verleden tijd Spaans: welke van de drie gebruik je wanneer?

Het Spaans heeft drie gewone verleden tijden: de pretérito perfecto (he hablado), de pretérito indefinido (hablé) en de pretérito imperfecto (hablaba). In het Nederlands zeg je in alle drie de gevallen "ik heb gepraat" of "ik praatte", dus vertalen helpt niet. De keuze hangt af van twee vragen: is de periode al voorbij, en was het een afgeronde gebeurtenis of een gewoonte?

Tijd Wanneer Signaalwoorden Voorbeeld
pretérito perfecto
he hablado
Afgerond, maar de periode loopt nog. Ook ervaringen (ooit, nooit).hoy, esta semana, este año, ya, todavía no, nuncaHoy he hablado con Ana.
Vandaag heb ik met Ana gepraat.
pretérito indefinido
hablé
Afgerond en de periode is voorbij. Begin en eind.ayer, anoche, el año pasado, hace dos días, en 2015Ayer hablé con Ana.
Gisteren praatte ik met Ana.
pretérito imperfecto
hablaba
Gewoonte, achtergrond, beschrijving. Zonder begin of eind.antes, siempre, todos los días, cuando era pequeñoAntes hablaba mucho con Ana.
Vroeger praatte ik veel met Ana.
pluscuamperfecto
había hablado
Iets was al gebeurd toen iets anders gebeurde.ya ... cuando, antes de, todavía no ... cuandoYa había hablado con Ana cuando llegaste.
Ik had al met Ana gepraat toen jij kwam.

In een verhaal werken de indefinido en de imperfecto samen: de imperfecto schildert het decor (hacía sol, het was zonnig) en de indefinido zet de actie erin (y de repente sonó el teléfono, en opeens ging de telefoon). Alle vormen van he hablado staan in voltooid deelwoord en pretérito perfecto in het Spaans. De uitgangen en onregelmatige vormen van hablé vind je in pretérito indefinido in het Spaans, en het verhaal van hablaba in imperfecto in het Spaans.

Voltooid verleden tijd Spaans: de pluscuamperfecto

De pluscuamperfecto (uitspraak: ploes-kwam-per-FEK-to) is de voltooid verleden tijd: "ik had gepraat". Je maakt hem met de imperfecto van haber plus het voltooid deelwoord: había hablado. Het deelwoord ken je al van de perfecto, dus je hoeft alleen había, habías, había, habíamos, habíais, habían te onthouden.

Spaans Nederlands
Cuando llegué, ya habían comido.Toen ik aankwam, hadden ze al gegeten.
No había visto nunca el mar.Hij had de zee nog nooit gezien.
Habíamos reservado una mesa, pero estaba ocupada.We hadden een tafel gereserveerd, maar die was bezet.

Je gebruikt deze tijd voor een stap verder terug: er gebeurde iets, en daarvóór was al iets anders gebeurd. Signaalwoorden: ya (al), todavía no (nog niet), nunca (nooit), antes de (voordat), vaak samen met cuando.

Toekomende tijd Spaans: ir a + infinitivo en futuro simple

Voor de toekomst heeft het Spaans twee opties. De eerste is ir a + infinitivo (ik ga praten): makkelijk, want je hoeft alleen ir te vervoegen. De tweede is de futuro simple (hablaré, ik zal praten): één uitgang achter het hele werkwoord.

Vorm Voorbeeld Nederlands Wanneer
ir a + infinitivoVoy a hablar con ella.Ik ga met haar praten.plannen, nabije toekomst
futuro simpleHablaré con ella mañana.Ik zal morgen met haar praten.voorspellingen, beloftes, verdere toekomst

Ir a klinkt concreter en hoor je in gesproken Spaans het vaakst, de futuro simple is iets formeler. Signaalwoorden voor allebei: mañana (morgen), la semana que viene (volgende week), pronto (binnenkort).

De vervoeging van ir en meer voorbeelden staan in ir a + infinitivo in het Spaans. De uitgangen van de futuro en de onregelmatige stammen (tendré, haré, podré) vind je in futuro simple in het Spaans.

Condicional: zou in het Spaans

De condicional is de tijd van "zou": hablaría, ik zou praten. Je maakt hem net als de futuro met het hele werkwoord plus een uitgang, en de onregelmatige stammen zijn dezelfde: tendría, haría, podría. Leer je de futuro, dan krijg je de condicional er gratis bij.

Spaans Nederlands Gebruik
Me gustaría un café, por favor.Ik zou graag een koffie willen.beleefd vragen
¿Podrías ayudarme?Zou je me kunnen helpen?beleefd verzoek
Yo hablaría con el vecino.Ik zou met de buurman praten.advies geven

De eerste zin die je in deze tijd leert is me gustaría (ik zou graag willen), en die alleen al maakt je Spaans een stuk beleefder. Later komt hij terug in als-dan-zinnen: Si tuviera dinero, compraría una casa en Málaga (als ik geld had, zou ik een huis in Málaga kopen). Alle vormen staan in condicional in het Spaans.

Subjuntivo: presente en imperfecto de subjuntivo

De subjuntivo is geen tijd maar een wijs. De indicativo gebruik je voor feiten, de subjuntivo voor alles wat geen feit is: wensen, twijfel, emoties, adviezen en dingen die nog moeten gebeuren. Hij komt bijna altijd na que.

Tijd Spaans Nederlands Na
presente de subjuntivoEspero que hables con él.Ik hoop dat je met hem praat.espero que, quiero que
presente de subjuntivoNo creo que hable español.Ik denk niet dat hij Spaans spreekt.no creo que, dudo que
imperfecto de subjuntivoQuería que hablaras con él.Ik wilde dat je met hem praatte.dezelfde triggers in het verleden
imperfecto de subjuntivoSi hablara español, viviría en España.Als ik Spaans sprak, zou ik in Spanje wonen.si + onwerkelijke voorwaarde

De presente de subjuntivo maak je door de uitgangen om te draaien: -ar-werkwoorden krijgen een e (hable, hables, hable, hablemos, habléis, hablen), -er en -ir-werkwoorden een a (coma, viva). De imperfecto de subjuntivo bouw je op de ellos-vorm van de indefinido: hablaron wordt hablara, hablaras, hablara, enzovoort. Wanneer je precies de subjuntivo kiest, is een blog op zich, en die hebben we: presente de subjuntivo in het Spaans legt alle triggers uit.

Gerundio en gebiedende wijs: geen Spaanse werkwoordstijden, wel onmisbaar

Twee vormen die in elk overzicht van de Spaanse tijden thuishoren, ook al zijn het geen tijden: de gerundio en de imperativo (gebiedende wijs).

Vorm Hoe maak je hem Voorbeeld Nederlands
gerundio-ar wordt -ando, -er/-ir wordt -iendo, meestal met estarEstoy hablando por teléfono.Ik ben aan het bellen.
imperativo (tú)de él-vorm van de presente¡Habla más despacio!Praat langzamer!
imperativo (usted)de presente de subjuntivoHable con el médico.Praat met de dokter. (beleefd, tegen u)

De gerundio is het Nederlandse "aan het": ¿Qué estás haciendo? (wat ben je aan het doen?). De gebiedende wijs gebruik je voor instructies en aanwijzingen, en voor de beleefde variant met usted leen je gewoon de subjuntivo.

Spaanse werkwoordstijden overzicht: hablar in alle tijden

Hier staat alles bij elkaar: hablar in alle Spaanse werkwoordstijden, met de yo-vorm en de tú-vorm.

Tijd yo tú Nederlands (yo)
presentehablohablasik praat
pretérito perfectohe habladohas habladoik heb gepraat
pretérito indefinidohabléhablasteik praatte
pretérito imperfectohablabahablabasik praatte (vroeger, steeds)
pluscuamperfectohabía habladohabías habladoik had gepraat
ir a + infinitivovoy a hablarvas a hablarik ga praten
futuro simplehablaréhablarásik zal praten
condicionalhablaríahablaríasik zou praten
presente de subjuntivohablehables(dat) ik praat
imperfecto de subjuntivohablarahablaras(dat) ik praatte
gerundiohablandohablandopratend, aan het praten

In welke volgorde leer je de Spaanse tijden?

Niet alles tegelijk. Dit is de volgorde die wij in onze cursussen aanhouden, omdat je ze in de praktijk zo nodig hebt:

  1. Presente. Over nu praten en bestellen.
  2. Ir a + infinitivo. Plannen maken zonder nieuwe vervoeging.
  3. Pretérito perfecto. Wat je vandaag en deze week hebt gedaan.
  4. Pretérito indefinido. Wat je gisteren en vorig jaar deed. De lastigste vervoeging.
  5. Imperfecto. Hoe het vroeger was.
  6. Futuro simple. Beloftes, voorspellingen en gokken.
  7. Condicional. Beleefd vragen en adviseren.
  8. Subjuntivo. Eerst de presente, later de imperfecto.

De gerundio en de gebiedende wijs pik je tussendoor op. Ons advies: leer één tijd goed voordat je aan de volgende begint, en oefen hem hardop in zinnen die over jou gaan. Een tabel kennen is iets anders dan hem gebruiken als de ober voor je staat.

Overzicht in één beeld

Infographic Spaanse werkwoordstijden: alle tijden in één overzicht met hablar, wanneer je ze gebruikt en de signaalwoorden
Overzicht: alle Spaanse werkwoordstijden met een voorbeeld van hablar, wanneer je ze gebruikt en de signaalwoorden.

Veelgemaakte fouten

❌ Fout: Hoy comí paella.
✓ Correct: Hoy he comido paella.
Uitleg: In Spanje hoort alles van vandaag, deze week en dit jaar bij de pretérito perfecto. Is de periode voorbij (ayer, el año pasado), dan kies je de indefinido: ayer comí.
❌ Fout: Antes fui a la playa todos los veranos.
✓ Correct: Antes iba a la playa todos los veranos.
Uitleg: Een gewoonte in het verleden is imperfecto. Antes en todos los veranos wijzen op iba, niet op fui.
❌ Fout: Mañana voy comer con mis amigos.
✓ Correct: Mañana voy a comer con mis amigos.
Uitleg: Nederlanders laten de a vaak weg, omdat je in het Nederlands "ik ga eten" zegt. In het Spaans is het altijd ir a + infinitivo.
❌ Fout: Espero que tienes suerte.
✓ Correct: Espero que tengas suerte.
Uitleg: Na espero que volgt de subjuntivo. Een wens is geen feit, dus tengas en niet tienes.
❌ Fout: Si tendría dinero, compraría una casa.
✓ Correct: Si tuviera dinero, compraría una casa.
Uitleg: Na si komt nooit de condicional. In een onwerkelijke als-dan-zin gebruik je si + imperfecto de subjuntivo, en de condicional in de hoofdzin.

Oefening: welke Spaanse werkwoordstijd gebruik je?

Zet het werkwoord tussen haakjes in de juiste tijd. Let op de signaalwoorden. De antwoorden staan onderaan.

1. Ayer _______ (hablar, yo) con mi vecino.

2. Hoy _______ (comer, nosotros) en un restaurante muy bueno.

3. Cuando era pequeño, _______ (vivir, yo) en Utrecht.

4. El año que viene _______ (hablar, yo) español perfectamente.

5. Me _______ (gustar) vivir en España.

6. Espero que _______ (tener, tú) un buen viaje.

7. Cuando llegué a casa, mi mujer ya _______ (preparar) la cena.

8. Si _______ (tener, yo) tiempo, iría a Madrid.

9. Ahora mismo _______ (estudiar, yo) español. (gebruik estar + gerundio)

10. Mañana _______ (visitar, nosotros) Granada. (gebruik ir a + infinitivo)

 

Antwoorden: 1: hablé (indefinido), 2: hemos comido (perfecto), 3: vivía (imperfecto), 4: hablaré (futuro), 5: gustaría (condicional), 6: tengas (presente de subjuntivo), 7: había preparado (pluscuamperfecto), 8: tuviera (imperfecto de subjuntivo), 9: estoy estudiando (gerundio), 10: vamos a visitar (ir a + infinitivo)

Vond je deze oefening leuk? 🇪🇸
In onze gratis cursus Spaans krijg je hier veel meer van: video-uitleg, oefeningen en persoonlijke hulp bij elke les.
👉 Volg hier gratis de cursus Spaans

Veelgestelde vragen over de Spaanse werkwoordstijden

Hoeveel tijden heeft het Spaans?

Officieel ongeveer zestien: tien in de indicativo en zes in de subjuntivo. In de praktijk gebruiken Spanjaarden er een stuk of tien, en als beginner red je je met de presente, ir a + infinitivo en de pretérito perfecto.

Welke verleden tijd gebruik je in het Spaans?

Hoy, esta semana en ervaringen: pretérito perfecto (he hablado). Ayer, el año pasado en afgeronde gebeurtenissen: indefinido (hablé). Gewoontes en beschrijvingen van vroeger: imperfecto (hablaba).

Wat is het verschil tussen indefinido en imperfecto?

De indefinido is een afgeronde gebeurtenis met begin en eind: Ayer comí paella. De imperfecto is een gewoonte of achtergrond: Antes comía paella cada domingo. In een verhaal geeft de imperfecto het decor en de indefinido de actie.

Wat is de voltooid verleden tijd in het Spaans?

Dat is de pluscuamperfecto: había + voltooid deelwoord. Cuando llegué, ya habían comido: toen ik aankwam, hadden ze al gegeten. Je gebruikt hem voor iets dat al gebeurd was vóór een ander moment in het verleden.

Hoe maak je de toekomende tijd in het Spaans?

Met ir a + infinitivo: Voy a hablar (ik ga praten), vooral voor plannen. Of met de futuro simple: Hablaré (ik zal praten), voor beloftes en voorspellingen.

Wat zijn signaalwoorden bij de Spaanse tijden?

Woorden die verraden welke tijd je nodig hebt. Hoy en ya wijzen op de perfecto, ayer en el año pasado op de indefinido, antes en cuando era pequeño op de imperfecto.

Wanneer gebruik je de subjuntivo in het Spaans?

Na uitdrukkingen van wens, twijfel, emotie en oordeel, bijna altijd met que: espero que, quiero que, no creo que. Dus Espero que tengas suerte, niet tienes. In als-dan-zinnen gebruik je de imperfecto de subjuntivo: Si tuviera tiempo.

In welke volgorde leer je de Spaanse werkwoordstijden?

Begin met de presente, dan ir a + infinitivo, daarna de drie verleden tijden (pretérito perfecto, indefinido, imperfecto), dan de futuro en condicional, en als laatste de subjuntivo.

Spaans leren met onze cursussen

Gebruik deze blog als opstap om verder te leren met onze online cursussen. Of je nu net begint of al gevorderd bent, je leert stap voor stap vloeiend Spaans spreken met persoonlijke begeleiding van twee docenten.

✨ Of bekijk het volledige overzicht: Bekijk alle cursussen Spaans.

🧭 Benieuwd wat jouw niveau is? Doe de gratis taaltest Spaans en ontdek direct welke cursus bij jou past.

👉 Bekijk hier onze complete bloghub Spaans leren

🎁 Start hier de gratis cursus Spaans (inclusief app) en leer de basis met leuke video's en oefeningen.

Saludos,
Lusiana y Leroy ❤️

🇪🇸 KRIJG ONZE GRATIS ONLINE CURSUS SPAANS! 🇪🇸

De leukste en beste manier om goed Spaans te leren spreken

✅ Gratis (en heel leuk!❤️)
✅ Videolessen, quizzen, podcasts en ebooks.
✅
Persoonlijke hulp in onze online leeromgeving (en ja, ook gratis!)

Na aanmelden ontvang je jouw inlogcode en instructies via email.

Al meer dan 30.000 mensen doen mee, jij ook?

We zullen jouw informatie nooit verkopen, om welke reden dan ook.