Llevar of Traer: Brengen en Meenemen in het Spaans
Nov 06, 2026Llevar of traer: twee werkwoorden die allebei "brengen" betekenen, en toch kun je ze niet door elkaar gebruiken. Je brengt een fles wijn naar een feestje, en de ober brengt je de rekening. Twee keer brengen, in het Spaans twee werkwoorden. Het verschil zit in de richting: gaat het ding van jou weg, of komt het naar jou toe? In deze blog leer je het verschil, de vervoeging van llevar (makkelijk) en traer (met een paar rare vormen: traigo, traje, traído), hoe je meenemen en halen zegt met llevarse, ir a por en recoger, en de uitdrukkingen die Spanjaarden de hele dag gebruiken. Plus de fouten die Nederlanders hiermee maken, en een oefening.
🇪🇸 Gratis cursus Spaans (inclusief app)
Video's, oefeningen en persoonlijke hulp. Vul je naam en e-mail in en je zit binnen 2 minuten in je eerste les.
📚 Inhoudsopgave
- Llevar of traer: het verschil in één regel
- Llevar vervoegen: llevo, llevas, lleva in de tegenwoordige en verleden tijd
- Traer vervoegen: traigo, traje, trajo, trayendo en traído
- Brengen in het Spaans: llevar of traer?
- Meenemen en halen in het Spaans: llevarse, ir a por, ir a buscar en recoger
- Andere betekenissen van llevar: dragen, aankunnen en llevarse bien con
- Uitdrukkingen met traer: traer de cabeza, me trae sin cuidado en ¿qué te trae por aquí?
- Llevar of traer in het restaurant en op bezoek: ¿nos trae la cuenta?
- Overzicht in één beeld
- Veelgemaakte fouten
- Oefening
- Veelgestelde vragen
- Spaans leren met onze cursussen
Llevar of traer: het verschil in één regel
Llevar is brengen of meenemen weg van de plek waar je bent, traer is brengen naar de plek waar je bent. Dat is de hele regel. Sta je thuis en wil je dat iemand iets voor je meeneemt naar jouw huis, dan is dat traer: ¿me traes el libro? (breng je me het boek?). Ga je zelf met dat boek naar iemand toe, dan is het llevar: te llevo el libro (ik breng je het boek). Je kent dit verschil al van ir en venir: ir is gaan, weg van hier, venir is komen, naar hier toe. Llevar hoort bij ir, traer hoort bij venir.
| Spaans | Nederlands | Richting |
|---|---|---|
| Llevo el coche al taller. | Ik breng de auto naar de garage. | van hier naar daar: llevar |
| ¿Me traes un vaso de agua? | Breng je me een glas water? | naar mij toe: traer |
| Te llevo a la estación. | Ik breng je naar het station. | weg van hier: llevar |
| ¿Quién trae el postre? | Wie brengt het toetje mee? (vraagt de gastvrouw) | naar hier toe: traer |
| Mi vecino me ha traído tomates. | Mijn buurman heeft me tomaten gebracht. | naar mij toe: traer |
Ezelsbruggetje: maak van "brengen" in je hoofd "gaan brengen" of "komen brengen". Ga jij ermee weg? Dan llevar, net als ir, gaan in het Spaans. Komt het naar jou? Dan traer, net als venir, komen in het Spaans. De uitspraak: llevar is je-BAR (de ll klinkt als een j, de v als een b) en traer is tra-ER, met de klemtoon op het eind.
Llevar vervoegen: llevo, llevas, lleva in de tegenwoordige en verleden tijd
Llevar vervoegen is makkelijk, want het is een regelmatig werkwoord op -ar: llevo, llevas, lleva, llevamos, lleváis, llevan. Hieronder de tegenwoordige tijd en de indefinido (de verleden tijd voor afgeronde dingen) naast elkaar.
| Persoon | Presente (nu) | Indefinido (toen) | Voorbeeld |
|---|---|---|---|
| yo | llevo | llevé | Llevo el pan. Ik neem het brood mee. |
| tú | llevas | llevaste | ¿Llevaste el regalo? Heb je het cadeau meegenomen? |
| él, ella, usted | lleva | llevó | Ana llevó a su madre al médico. Ana bracht haar moeder naar de dokter. |
| nosotros | llevamos | llevamos | Llevamos las sillas al jardín. We brengen de stoelen naar de tuin. |
| vosotros | lleváis | llevasteis | ¿Qué lleváis a la cena? Wat nemen jullie mee naar het etentje? |
| ellos, ellas, ustedes | llevan | llevaron | Llevaron al perro a la playa. Ze namen de hond mee naar het strand. |
Twee kleine dingen. De nosotros-vorm is in het presente en de indefinido hetzelfde (llevamos), dus de context vertelt of het nu of toen is. En het voltooid deelwoord is llevado: he llevado, ik heb gebracht. Bij personen staat er een a voor: llevo a mi hijo al colegio, ik breng mijn zoon naar school.
Traer vervoegen: traigo, traje, trajo, trayendo en traído
Traer vervoegen is lastiger, want het is onregelmatig: traigo, traes, trae, traemos, traéis, traen in de tegenwoordige tijd, en traje, trajiste, trajo, trajimos, trajisteis, trajeron in de indefinido. In het presente is alleen de yo-vorm raar (traigo, TRAI-go), de rest is regelmatig. De indefinido is helemaal anders: de stam wordt traj- en de uitgangen hebben geen accent.
| Persoon | Presente (nu) | Indefinido (toen) | Voorbeeld |
|---|---|---|---|
| yo | traigo | traje | Traigo buenas noticias. Ik heb goed nieuws. |
| tú | traes | trajiste | ¿Trajiste el paraguas? Heb je de paraplu meegenomen? |
| él, ella, usted | trae | trajo | Luis trajo una tarta. Luis bracht een taart mee. |
| nosotros | traemos | trajimos | Trajimos vino de Rioja. We hebben wijn uit Rioja meegebracht. |
| vosotros | traéis | trajisteis | ¿Qué trajisteis de España? Wat hebben jullie uit Spanje meegenomen? |
| ellos, ellas, ustedes | traen | trajeron | Trajeron a los niños. Ze brachten de kinderen mee. |
Dan nog drie vormen die je vaak nodig hebt. Het gerundio is trayendo (tra-JEN-do), met een y. Het voltooid deelwoord is traído (tra-IE-do), met een accent op de i: he traído pan, ik heb brood meegebracht. En de subjuntivo komt van de yo-vorm: traiga, traigas, traiga. Die -go in traigo ken je misschien al van pongo, hago en salgo; hoe dat bij poner werkt, lees je in poner vervoegen. De j in traje en trajo klinkt als een Nederlandse ch: TRA-che en TRA-cho.
Brengen in het Spaans: llevar of traer?
Brengen in het Spaans is llevar als jij (of degene over wie je praat) ermee weggaat, en traer als het naar de plek komt waar jij bent. De vraag is dus niet "wat betekent brengen", maar "waar sta ik?". Stel: jij zit thuis zonder oplader, je vriend komt straks langs. Jij zegt: ¿me traes el cargador? Hij zegt: vale, te llevo el cargador. Hetzelfde voorwerp, twee werkwoorden, omdat jullie op een andere plek staan.
| Situatie | Spaans | Nederlands |
|---|---|---|
| Jij bent thuis, hij komt naar jou | ¿Me traes el cargador? | Breng je me de oplader? |
| Hij gaat naar jou toe | Vale, te llevo el cargador. | Oké, ik breng je de oplader. |
| Je gaat naar een etentje | ¿Qué llevo? | Wat zal ik meenemen? |
| De gastvrouw antwoordt | No traigas nada. | Neem niks mee. |
| Op kantoor, over gisteren | Marta trajo churros. | Marta heeft churros meegebracht. |
Een handig trucje: kun je in de zin "hier" of "naar mij" toevoegen, dan is het traer. Kun je er "daarheen" of "naar jou" bij denken, dan is het llevar. En praat je over het verleden terwijl je op de plek van aankomst staat (op kantoor, over de churros van gisteren), dan is het traer: het kwam naar hier.
Meenemen en halen in het Spaans: llevarse, ir a por, ir a buscar en recoger
Meenemen in het Spaans is llevar of llevarse, en halen is ir a por, ir a buscar of recoger. Llevarse (je-BAR-se) is de wederkerende vorm van llevar en betekent iets meenemen, voor jezelf pakken en ermee weggaan: me llevo esto zeg je in een winkel als je iets koopt. Halen, dus ergens heen gaan om iets op te pikken, is ir a por: voy a por pan, ik ga brood halen. Dat a por is typisch voor Spanje en hoor je er de hele dag.
| Spaans | Nederlands | Gebruik |
|---|---|---|
| Me llevo estos zapatos. | Ik neem deze schoenen. (in de winkel) | llevarse: meenemen, kopen |
| El viento se llevó la sombrilla. | De wind nam de parasol mee. | llevarse: wegnemen |
| ¿Para tomar aquí o para llevar? | Om hier te eten of om mee te nemen? | para llevar: afhalen |
| Voy a por el pan. | Ik ga brood halen. | ir a por: halen |
| Voy a buscar a Marta a la estación. | Ik ga Marta ophalen van het station. | ir a buscar: iemand ophalen |
| Recojo a los niños a las cinco. | Ik haal de kinderen om vijf uur op. | recoger: ophalen |
De kinderen ophalen van school is in Spanje recoger a los niños del colegio (recoger = re-ko-CHER). Let op de yo-vorm: recojo, met een j. En bij personen staat er altijd een a voor: recojo a los niños, voy a buscar a mi madre. Hoe me llevo, te llevas en se lleva precies werken, staat in wederkerende werkwoorden in het Spaans.
Andere betekenissen van llevar: dragen, aankunnen en llevarse bien con
Llevar betekent veel meer dan brengen: dragen, bevatten, iets goed of slecht aankunnen en, als llevarse bien con, goed met iemand kunnen opschieten. Je hoort het in Spanje tien keer per dag, en lang niet altijd gaat het over brengen.
| Spaans | Nederlands | Betekenis |
|---|---|---|
| Lleva una chaqueta roja. | Ze draagt een rode jas. | dragen (kleding) |
| ¿Esto lleva cebolla? | Zit hier ui in? | bevatten |
| Lo lleva muy bien. | Hij gaat er heel goed mee om. | iets aankunnen |
| Mi padre lleva fatal la jubilación. | Mijn vader heeft het zwaar met zijn pensioen. | iets slecht aankunnen |
| ¿Cómo lo llevas? | Hoe gaat het ermee? Hoe hou je je? | informele vraag |
| Me llevo bien con mis suegros. | Ik kan goed opschieten met mijn schoonouders. | llevarse bien con |
| Ana y yo no nos llevamos. | Ana en ik kunnen niet met elkaar opschieten. | no llevarse |
Dragen van kleding is ook llevar: llevo gafas, ik draag een bril; alle woorden voor wat je aanhebt vind je in kleding in het Spaans. Llevar kan ook een tijdsduur aangeven, zoals in llevo dos años en España (ik woon al twee jaar in Spanje); hoe dat werkt, lees je in acabar de in het Spaans. En met een gerundio erachter wordt het "al een tijd bezig zijn met": llevo tres meses estudiando español, dat staat uitgelegd bij de gerundio in het Spaans. Op ¿cómo lo llevas? antwoord je bien, lo llevo bien, of met een zucht: regular.
Uitdrukkingen met traer: traer de cabeza, me trae sin cuidado en ¿qué te trae por aquí?
De drie uitdrukkingen met traer die je het vaakst hoort zijn traer de cabeza (iemand kopzorgen geven), me trae sin cuidado (het laat me koud) en ¿qué te trae por aquí? (wat brengt jou hier?). Allemaal figuurlijk "naar hier toe brengen".
| Spaans | Letterlijk | Nederlands |
|---|---|---|
| Este niño me trae de cabeza. | dit kind brengt me van het hoofd | Dit kind bezorgt me kopzorgen. |
| Me trae sin cuidado. | het brengt me zonder zorg | Het laat me koud. |
| ¿Qué te trae por aquí? | wat brengt je hierlangs | Wat brengt jou hier? |
| Esto va a traer cola. | dit gaat een staart brengen | Dit gaat een staartje krijgen. |
| El cambio trae consigo problemas. | de verandering brengt problemen met zich | De verandering brengt problemen met zich mee. |
| ¿Qué os traéis entre manos? | wat brengen jullie tussen de handen | Wat zijn jullie aan het bekokstoven? |
Traer de cabeza gebruik je voor alles wat je bezighoudt en niet loslaat: een kind, een verbouwing, een klant. Me trae sin cuidado is stelliger dan me da igual: niet "maakt me niet uit", maar "ik lig er geen seconde wakker van". De uitspraak van cuidado is kwie-DA-do en van consigo kon-SIE-go.
Llevar of traer in het restaurant en op bezoek: ¿nos trae la cuenta?
In het restaurant gebruik je bijna altijd traer, want de ober brengt alles naar jouw tafel, en op bezoek gebruik je llevar, want jij neemt iets mee naar het huis van een ander. De beroemdste zin is ¿nos trae la cuenta, por favor? (brengt u ons de rekening?); alle andere zinnen voor bestellen en betalen staan in onze blog met Spaanse zinnen voor in een restaurant. Hier gaat het om het werkwoord.
| Situatie | Spaans | Nederlands |
|---|---|---|
| restaurant | ¿Me trae otra caña, por favor? | Brengt u me nog een biertje? |
| restaurant | Todavía no nos han traído el postre. | Ze hebben ons toetje nog niet gebracht. |
| restaurant | ¿Qué lleva la ensalada? | Wat zit er in de salade? |
| afhalen | Dos pizzas para llevar. | Twee pizza's om mee te nemen. |
| op bezoek | Llevo una botella de vino. | Ik neem een fles wijn mee. |
| gastheer aan de deur | ¡No tenías que traer nada! | Je had niks mee hoeven nemen! |
| gastheer | ¿Qué os traigo, cerveza o vino? | Wat breng ik jullie, bier of wijn? |
Zie je de wissel bij het bezoek? Jij zegt llevo vino (ik ga erheen), de gastheer zegt no tenías que traer nada (het kwam naar hem toe). Ook ¿qué os traigo? is traer: de gastheer loopt naar de keuken en komt terug naar de plek waar jullie zitten. De ober spreek je met usted aan, dus ¿me trae...? en niet ¿me traes...? (dat is de tú-vorm). Wil je deze zinnen hardop oefenen voor je in een echt restaurant zit, dan kan dat met de Spreekapp, zonder dat iemand meeluistert.
Overzicht in één beeld
Veelgemaakte fouten
✓ Correct: Mañana voy a tu casa y te llevo el libro.
Uitleg: Jij gaat naar de ander toe, dus het boek gaat weg van waar jij nu bent: llevar. Traer klopt alleen als de ander naar jou komt.
✓ Correct: ¿Puedes traer vino?
Uitleg: De gastvrouw is thuis, de wijn komt naar haar toe. Dus traer.
✓ Correct: Yo traigo el postre.
Uitleg: De yo-vorm van traer is onregelmatig: traigo, met -go, net als pongo, hago en salgo. De andere vormen in het presente zijn regelmatig.
✓ Correct: Ayer traje una tarta. / Ella trajo una tarta.
Uitleg: De indefinido van traer heeft een eigen stam, traj-, en geen accenten: traje, trajiste, trajo, trajimos, trajisteis, trajeron.
✓ Correct: Voy a recoger a los niños del colegio.
Uitleg: Ophalen is recoger of ir a buscar, niet llevar. Llevar a los niños al colegio is het omgekeerde: ze naar school brengen. En bij personen hoort een a: recoger a los niños.
✓ Correct: Me llevo el paraguas por si llueve.
Uitleg: Je neemt de paraplu mee van huis naar buiten, weg van waar je bent: llevarse. Me traigo zou betekenen dat je hem van ergens anders naar hier meebrengt.
Oefening: llevar of traer
Vul de juiste vorm in van llevar, traer, llevarse of recoger. Let op de richting en op de persoon. De antwoorden staan onder de streep.
1. Mañana voy a tu casa y te _______ el libro. (ik breng je)
2. ¿Me _______ un vaso de agua, por favor? (breng jij me, tú)
3. Ayer Juan _______ una tarta a la oficina. (bracht mee, gezegd op kantoor)
4. No _______ las llaves, ¿me abres? (ik heb niet bij me, yo-vorm van traer)
5. Voy a _______ a los niños del colegio. (ophalen)
6. ¿Para tomar aquí o para _______? (om mee te nemen)
7. Mi hermana y yo nos _______ muy bien. (kunnen goed opschieten)
8. Este problema me _______ de cabeza. (bezorgt me kopzorgen)
9. Camarero, ¿nos _______ la cuenta, por favor? (usted)
10. ¿Has _______ el cargador? Yo no tengo. (meegenomen, voltooid deelwoord van traer)
Antwoorden: 1: llevo, 2: traes, 3: trajo, 4: traigo, 5: recoger (of buscar), 6: llevar, 7: llevamos, 8: trae, 9: trae, 10: traído (met accent op de i)
In onze gratis cursus Spaans krijg je hier veel meer van: video-uitleg, oefeningen en persoonlijke hulp bij elke les.
👉 Volg hier gratis de cursus Spaans
Veelgestelde vragen over llevar of traer
Wanneer gebruik je llevar of traer?
Je gebruikt llevar als iets weggaat van de plek waar je bent, en traer als iets naar jou toe komt. Te llevo el libro is ik breng je het boek (ik ga naar jou), ¿me traes el libro? is breng je me het boek (jij komt naar mij).
Wat betekent llevar?
Llevar betekent brengen of meenemen, weg van de spreker: llevo el coche al taller, ik breng de auto naar de garage. Daarnaast betekent het dragen (lleva gafas), bevatten (¿lleva cebolla?) en iets aankunnen (lo lleva bien).
Wat betekent traer?
Traer betekent brengen of meebrengen naar de spreker toe: ¿me traes un café?, breng je me een koffie? Figuurlijk zit het in traer de cabeza (kopzorgen geven), traer consigo (met zich meebrengen) en ¿qué te trae por aquí? (wat brengt jou hier?).
Hoe zeg je brengen in het Spaans?
Brengen in het Spaans is llevar of traer, afhankelijk van de richting. Breng je iets ergens heen, dan is het llevar: llevo a mi hijo al colegio. Brengt iemand iets naar jou, dan is het traer: el camarero trae la cuenta, de ober brengt de rekening.
Hoe zeg je meenemen in het Spaans?
Meenemen in het Spaans is llevar of llevarse: me llevo el paraguas, ik neem de paraplu mee. Afhalen bij een restaurant is para llevar. Komt het naar jou toe, dan is het traer: ¿has traído el cargador?
Hoe vervoeg je traer?
Traer in de tegenwoordige tijd is traigo, traes, trae, traemos, traéis, traen. In de indefinido: traje, trajiste, trajo, trajimos, trajisteis, trajeron. Het gerundio is trayendo, het voltooid deelwoord traído (met accent op de i) en de subjuntivo begint met traiga.
Wat betekent traje?
Traje betekent ik bracht of ik heb meegebracht, de yo-vorm van traer in de indefinido: traje una tarta. Maar el traje is ook een zelfstandig naamwoord: een pak of kostuum. Lleva un traje azul is hij draagt een blauw pak.
Hoe zeg je ophalen in het Spaans?
Ophalen in het Spaans is recoger of ir a buscar: recojo a los niños del colegio, ik haal de kinderen op van school. Iets gaan halen, zoals brood, is ir a por: voy a por pan. Bij personen komt er altijd een a voor.
Spaans leren met onze cursussen
Werkwoordparen als llevar en traer gaan pas goed als je ze in echte zinnen gebruikt. In onze online cursus Spaans oefen je dat op jouw niveau. Of je nu net begint of al gevorderd bent, je leert stap voor stap vloeiend Spaans spreken met persoonlijke begeleiding van twee docenten.
✨ Bekijk alle niveaus van onze online cursus Spaans op een rij.
🧭 Benieuwd wat jouw niveau is? Doe de gratis taaltest Spaans en ontdek direct welke cursus bij jou past.
👉 Bekijk hier onze complete bloghub Spaans leren
🎁 Start hier de gratis cursus Spaans (inclusief app) en leer de basis met leuke video's en oefeningen.
Saludos,
Lusiana y Leroy ❤️
🇪🇸 KRIJG ONZE GRATIS ONLINE CURSUS SPAANS! 🇪🇸
De leukste en beste manier om goed Spaans te leren spreken
✅ Gratis (en heel leuk!❤️)
✅ Videolessen, quizzen, podcasts en ebooks.
✅ Persoonlijke hulp in onze online leeromgeving (en ja, ook gratis!)
Na aanmelden ontvang je jouw inlogcode en instructies via email.
Al meer dan 30.000 mensen doen mee, jij ook?
We zullen jouw informatie nooit verkopen, om welke reden dan ook.