Poner Vervoegen: Leggen en Zetten in het Spaans + Ponerse
Oct 31, 2026Poner vervoegen heb je al in je eerste week Spaans nodig, want poner is leggen, zetten, neerzetten én aanzetten in één werkwoord. Je legt je sleutels op tafel (pongo las llaves en la mesa), je dekt de tafel (poner la mesa), je zet de tv aan (poner la tele) en in de bar bestel je met ponme un café. Het is ook onregelmatig op de plekken waar je het niet verwacht: pongo, puse, pondré en puesto. Hieronder elke tijd met uitspraak en voorbeeldzinnen, de gebiedende wijs pon, de wederkerende vorm ponerse (je jas aantrekken, gaan staan, ergens aan beginnen) en de uitdrukkingen die je in Spanje elke dag hoort.
🇪🇸 Gratis cursus Spaans (inclusief app)
Video's, oefeningen en persoonlijke hulp. Vul je naam en e-mail in en je zit binnen 2 minuten in je eerste les.
📚 Inhoudsopgave
- Poner betekenis: leggen, zetten, neerzetten en aanzetten in het Spaans
- Poner vervoegen in de tegenwoordige tijd: pongo, pones, pone
- Poner vervoegen in de verleden tijd: puse, pusiste, puso
- Poner vervoegen in de imperfecto: ponía, ponías, ponía
- Poner in de toekomende tijd en de condicional: pondré en pondría
- Puesto en pon: het voltooid deelwoord en de gebiedende wijs van poner
- Ponme un café: poner in de bar en in de winkel
- Ponerse: aantrekken, gaan staan en ponerse a + infinitivo
- Uitdrukkingen met poner: poner la mesa, poner la tele en meer
- Overzicht in één beeld
- Veelgemaakte fouten
- Oefening
- Veelgestelde vragen
- Spaans leren met onze cursussen
Poner betekenis: leggen, zetten, neerzetten en aanzetten in het Spaans
Poner (po-NER) betekent leggen, zetten of neerzetten, en daarnaast aanzetten of opzetten. Waar het Nederlands kiest tussen leggen (plat) en zetten (rechtop), gebruikt het Spaans voor allebei poner. Een boek op tafel leggen en een glas op tafel zetten is twee keer poner en la mesa.
| Betekenis | Spaans | Nederlands |
|---|---|---|
| leggen | Pongo el libro en la mesa. | Ik leg het boek op tafel. |
| zetten, neerzetten | Pon el vaso aquí. | Zet het glas hier neer. |
| aanzetten, opzetten | ¿Pones la tele? | Zet jij de tv aan? |
| dekken (tafel) | Mi hijo pone la mesa. | Mijn zoon dekt de tafel. |
| geven (naam, cijfer, boete) | Le pusieron Lucía. | Ze hebben haar Lucía genoemd. |
| inschenken (bar) | Ponme una caña, por favor. | Doe mij een biertje, alsjeblieft. |
Zie je hoe ver het gaat? Een naam geven, een cijfer geven, een biertje tappen: allemaal poner. De kern is steeds iets ergens plaatsen, letterlijk of figuurlijk. Hou dat beeld vast, dan snap je straks ook de uitdrukkingen.
Poner vervoegen in de tegenwoordige tijd: pongo, pones, pone
Poner vervoegen in de tegenwoordige tijd gaat zo: pongo, pones, pone, ponemos, ponéis, ponen. Alleen de ik-vorm is onregelmatig: er komt een g tussen, net als bij tengo, vengo en salgo. De andere vijf vormen zijn die van een gewoon regelmatig werkwoord op -er.
| Persoon | Vorm | Uitspraak | Voorbeeldzin |
|---|---|---|---|
| yo | pongo | PON-go | Pongo las llaves en el cajón. Ik leg de sleutels in de la. |
| tú | pones | PO-nes | ¿Dónde pones el móvil? Waar leg jij je telefoon? |
| él / ella / usted | pone | PO-ne | Mi madre pone la radio. Mijn moeder zet de radio aan. |
| nosotros | ponemos | po-NE-mos | Ponemos la mesa en la terraza. We dekken de tafel op het terras. |
| vosotros | ponéis | po-NEIS | ¿Ponéis azúcar en el café? Doen jullie suiker in de koffie? |
| ellos / ellas / ustedes | ponen | PO-nen | En este bar ponen buena música. In deze bar draaien ze goede muziek. |
Pongo leer je uit je hoofd, want je gebruikt hem constant: pongo la mesa, pongo la tele, me pongo el abrigo. Handig: die g zit ook in de hele presente de subjuntivo (ponga, pongas, ponga, pongamos, pongáis, pongan). En let bij ponéis op het accent.
Poner vervoegen in de verleden tijd: puse, pusiste, puso
De verleden tijd van poner is puse, pusiste, puso, pusimos, pusisteis, pusieron. De stam verandert van pon- naar pus-, en de uitgangen zijn die van de sterke werkwoorden: zonder accenten. Dus puse en puso, niet pusé of pusó. Dat is het grote verschil met een regelmatig werkwoord als comer (comí, comió).
| Persoon | Vorm | Uitspraak | Voorbeeldzin |
|---|---|---|---|
| yo | puse | POE-se | Puse las flores en la ventana. Ik heb de bloemen in het raam gezet. |
| tú | pusiste | poe-SIES-te | ¿Dónde pusiste mis gafas? Waar heb je mijn bril gelegd? |
| él / ella / usted | puso | POE-so | Ana puso la mesa para seis. Ana heeft de tafel voor zes gedekt. |
| nosotros | pusimos | poe-SIE-mos | Pusimos la tele para ver el partido. We hebben de tv aangezet voor de wedstrijd. |
| vosotros | pusisteis | poe-SIES-teis | ¿Pusisteis el coche en el garaje? Hebben jullie de auto in de garage gezet? |
| ellos / ellas / ustedes | pusieron | poe-SIE-ron | Le pusieron una multa ayer. Ze hebben hem gisteren een boete gegeven. |
Deze tijd gebruik je bij gisteren, vorige week en vorig jaar. Bij vandaag en deze week zeggen Spanjaarden vaker he puesto (daar komen we op terug). De andere sterke werkwoorden (hice, tuve, dije, vine) vind je in de pretérito indefinido. Geheugensteuntje: puse rijmt op supe en pude. Een u in de stam en geen accent, dat is het patroon.
Poner vervoegen in de imperfecto: ponía, ponías, ponía
In de imperfecto is poner helemaal regelmatig: ponía, ponías, ponía, poníamos, poníais, ponían. Stam pon- plus de gewone -er-uitgangen, met een accent op de í. Eindelijk een tijd waarin je niets hoeft te onthouden.
| Persoon | Vorm | Uitspraak | Voorbeeldzin |
|---|---|---|---|
| yo | ponía | po-NIE-a | De niño ponía los juguetes en el suelo. Als kind legde ik mijn speelgoed op de grond. |
| tú | ponías | po-NIE-as | Siempre ponías la misma canción. Je zette altijd hetzelfde liedje op. |
| él / ella / usted | ponía | po-NIE-a | Mi abuela ponía la mesa a la una. Mijn oma dekte de tafel om één uur. |
| nosotros | poníamos | po-NIE-a-mos | Poníamos el árbol en diciembre. We zetten de kerstboom in december op. |
| vosotros | poníais | po-NIE-ais | ¿Poníais la calefacción en invierno? Zetten jullie in de winter de verwarming aan? |
| ellos / ellas / ustedes | ponían | po-NIE-an | En el bar ponían el fútbol los domingos. In de bar zetten ze op zondag het voetbal aan. |
De imperfecto is voor gewoontes in het verleden (siempre, los domingos, de niño). Vergelijk mi abuela ponía la mesa (dat deed ze altijd) met mi abuela puso la mesa (die ene keer). Staat er altijd, vroeger of elke dag in de zin, dan is het ponía.
Poner in de toekomende tijd en de condicional: pondré en pondría
De toekomende tijd van poner is pondré, pondrás, pondrá, pondremos, pondréis, pondrán. De e van de stam valt weg en er komt een d voor in de plaats: niet poneré maar pondré. De condicional (de zou-vorm) gebruikt dezelfde stam: pondría, pondrías, pondría, pondríamos, pondríais, pondrían.
| Persoon | Futuro | Condicional | Voorbeeldzin |
|---|---|---|---|
| yo | pondré (pon-DRE) | pondría (pon-DRIE-a) | Mañana pondré orden en el garaje. Morgen ruim ik de garage op. |
| tú | pondrás (pon-DRAS) | pondrías | ¿Dónde pondrás el sofá? Waar ga je de bank zetten? |
| él / ella / usted | pondrá (pon-DRA) | pondría | El camarero pondrá la mesa fuera. De ober zet de tafel buiten. |
| nosotros | pondremos (pon-DRE-mos) | pondríamos | Pondremos la lavadora esta noche. We zetten de wasmachine vanavond aan. |
| vosotros | pondréis (pon-DREIS) | pondríais | ¿Pondréis música en la fiesta? Zetten jullie muziek op bij het feest? |
| ellos / ellas / ustedes | pondrán (pon-DRAN) | pondrían | Pondrán una farmacia en la esquina. Er komt een apotheek op de hoek. |
Dezelfde d-truc zie je bij tener (tendré), venir (vendré) en salir (saldré). De condicional is voor voorstellen en als-dan: Yo lo pondría aquí, ik zou het hier zetten. In de praktijk hoor je net zo vaak voy a poner la mesa, ik ga de tafel dekken. Makkelijker, en net zo goed Spaans.
Puesto en pon: het voltooid deelwoord en de gebiedende wijs van poner
Het voltooid deelwoord van poner is puesto (PWES-to), niet ponido. En de gebiedende wijs voor tú is het kortste woordje dat je in het Spaans gaat zeggen: pon. Twee vormen die je elke dag nodig hebt, hier in één tabel met de gerundio erbij.
| Vorm | Spaans | Uitspraak | Voorbeeldzin |
|---|---|---|---|
| voltooid deelwoord | puesto | PWES-to | ¿Has puesto la lavadora? Heb je de wasmachine aangezet? |
| gerundio | poniendo | po-NIEN-do | Estoy poniendo la mesa. Ik ben de tafel aan het dekken. |
| gebiedende wijs tú | pon | pon | Pon el pan en la mesa. Zet het brood op tafel. |
| gebiedende wijs usted | ponga | PON-ga | Ponga la bolsa aquí, por favor. Legt u de tas hier neer, alstublieft. |
| gebiedende wijs vosotros | poned | po-NED | Poned los abrigos en la silla. Leg jullie jassen op de stoel. |
| ontkennend (tú) | no pongas | no PON-gas | No pongas los pies en el sofá. Leg je voeten niet op de bank. |
Puesto hoort bij het clubje onregelmatige deelwoorden met hecho, dicho en visto. Je ziet het ook als bijvoeglijk naamwoord: la mesa está puesta, de tafel is gedekt. Hoe he puesto samengaat met hoy en ya, lees je in het voltooid deelwoord in het Spaans. Pon hoort bij de acht korte gebiedende wijzen die je uit je hoofd moet kennen: pon, ten, ven, di, haz, sal, ve, sé. De ontkenning gebruikt de subjuntivo (no pongas); hoe dat werkt, staat in de gebiedende wijs in het Spaans.
Ponme un café: poner in de bar en in de winkel
Ponme un café betekent letterlijk "zet mij een koffie neer" en zo bestel je in een Spaanse bar. Het is de gebiedende wijs pon met me eraan vast: ponme (PON-me). Beleefd, met usted, wordt het póngame, of je maakt er een vraag van: ¿me pone un café?
| Spaans | Nederlands | Wanneer |
|---|---|---|
| Ponme un café con leche. | Doe mij een koffie met melk. | bar, informeel |
| ¿Me pones dos cañas? | Doe je mij twee biertjes? | bar, als vraag |
| ¿Me pone un cuarto de jamón? | Mag ik 250 gram ham van u? | winkel, markt (usted) |
| Póngame medio kilo de tomates. | Doet u mij een halve kilo tomaten. | markt (usted) |
| ¿Qué te pongo? | Wat zal het zijn? | zegt de barman tegen jou |
| ¿Qué le pongo? | Wat mag het zijn? | zegt de verkoper, met usted |
Nederlanders vinden een gebiedende wijs om te bestellen vaak bot klinken. In Spanje is het dat niet: ponme un café met een glimlach is precies goed, ¿me pones un café? is de iets zachtere versie. Alle zinnen om te bestellen en te betalen staan in Spaanse zinnen voor in een restaurant en voor een drankje buiten in 10 Spaanse zinnen voor op het terras. Wil je zo'n bestelling eerst een paar keer hardop oefenen, dan kan dat met de Spreekapp.
Ponerse: aantrekken, gaan staan en ponerse a + infinitivo
Ponerse is de wederkerende vorm van poner en betekent in de eerste plaats aantrekken: me pongo el abrigo, ik trek mijn jas aan. Letterlijk zet je iets op jezelf. Daarnaast gebruik je het voor een houding innemen (ponerse de pie, gaan staan) en voor ergens mee beginnen (ponerse a llorar, beginnen te huilen). De vervoeging is poner met me, te, se, nos, os, se ervoor.
| Gebruik | Spaans | Nederlands |
|---|---|---|
| aantrekken | Me pongo el abrigo. | Ik trek mijn jas aan. |
| aantrekken | Ponte los zapatos, nos vamos. | Doe je schoenen aan, we gaan. |
| opzetten | Se puso las gafas de sol. | Hij zette zijn zonnebril op. |
| gaan staan | Todos se pusieron de pie. | Iedereen ging staan. |
| in de rij gaan staan | Ponte en la cola. | Ga in de rij staan. |
| beginnen te | Se puso a llover. | Het begon te regenen. |
| beginnen te | Me puse a estudiar a las ocho. | Ik ging om acht uur studeren. |
| ondergaan (zon) | El sol se pone a las nueve. | De zon gaat om negen uur onder. |
Twee dingen vallen op. Eén: bij kleding gebruik je het lidwoord, niet het bezittelijk voornaamwoord. Me pongo el abrigo, niet me pongo mi abrigo, want door me is al duidelijk wiens jas het is. Alle kledingstukken die je kunt aantrekken staan in kleding in het Spaans. Twee: ponerse a + infinitivo is "ineens beginnen met". Hoe die me, te, se werken, lees je in wederkerende werkwoorden in het Spaans. Dan is er nog ponerse + bijvoeglijk naamwoord (ponerse rojo, ponerse nervioso), wat "worden" betekent; dat gebruik en het verschil met hacerse en volverse leggen we uit in worden in het Spaans. En la puesta de sol (de zonsondergang) komt van el sol se pone.
Uitdrukkingen met poner: poner la mesa, poner la tele en meer
Poner la mesa is de tafel dekken, poner la tele is de tv aanzetten, poner una multa is een boete geven en ponerse de acuerdo is het eens worden. Die uitdrukkingen zijn de reden dat je poner zo vaak hoort. Hieronder de rest van de lijst.
| Uitdrukking | Nederlands | Voorbeeldzin |
|---|---|---|
| poner la mesa | de tafel dekken | ¿Pones la mesa? Ya está la comida. Dek jij de tafel? Het eten is klaar. |
| poner la tele / la música | aanzetten, opzetten | Pon la tele, que empieza el partido. Zet de tv aan, de wedstrijd begint. |
| poner la lavadora | een was draaien | He puesto la lavadora dos veces hoy. Ik heb vandaag twee keer gewassen. |
| poner una multa | een boete geven | Me han puesto una multa. Ik heb een boete gekregen. |
| poner en marcha | starten, in gang zetten | Pusieron en marcha el proyecto. Ze hebben het project gestart. |
| poner atención | opletten | Pon atención, esto es importante. Let op, dit is belangrijk. |
| poner huevos | eieren leggen | Las gallinas ponen huevos cada día. De kippen leggen elke dag eieren. |
| ponerse al día | bijpraten, bijwerken | Tenemos que ponernos al día. We moeten bijpraten. |
| ponerse de acuerdo | het eens worden | Nunca se ponen de acuerdo. Ze worden het nooit eens. |
Poner atención bestaat, maar Spanjaarden zeggen vaker prestar atención. ¿Qué ponen en la tele? is de standaardvraag voor "wat is er op tv?". En in al deze uitdrukkingen vervoeg je poner zoals je net hebt geleerd: pongo la mesa, puse la mesa, pondré la mesa, he puesto la mesa. Eén werkwoord, eindeloos veel zinnen.
Overzicht in één beeld
Veelgemaakte fouten
✓ Correct: Yo pongo la mesa.
Uitleg: De ik-vorm van poner is onregelmatig: pongo, met een g. Dezelfde g zit in tengo, vengo en salgo. De andere vormen zijn wel regelmatig.
✓ Correct: Ayer puse las flores en la mesa.
Uitleg: Puse is een sterke verleden tijd en krijgt geen accent. Hetzelfde geldt voor puso: niet pusó. Alleen regelmatige werkwoorden hebben in de indefinido een accent op de ik- en hij-vorm (comí, comió).
✓ Correct: ¿Has puesto la lavadora?
Uitleg: Het voltooid deelwoord van poner is puesto. Ponido bestaat niet, net zoals hacido en decido niet bestaan (het is hecho en dicho).
✓ Correct: Mañana pondré la mesa.
Uitleg: In de toekomende tijd en de condicional verliest poner de e en krijgt het een d: pondré, pondría. Net als tendré en vendré.
✓ Correct: Ponte el abrigo, hace frío.
Uitleg: Aantrekken is wederkerend: ponerse. De gebiedende wijs is pon en met te erachter wordt dat ponte. Pone is de hij-vorm van de tegenwoordige tijd, geen bevel.
✓ Correct: Me pongo la chaqueta.
Uitleg: Bij kleding en lichaamsdelen gebruikt het Spaans het lidwoord, niet het bezittelijk voornaamwoord. Door me is al duidelijk dat het jouw jas is. Mi chaqueta klinkt voor een Spanjaard dubbelop.
Oefening: poner vervoegen
Vul de juiste vorm van poner of ponerse in. Tussen haakjes staat de persoon of de tijd. De antwoorden staan eronder.
1. Siempre _______ (yo) las llaves en el mismo sitio. (tegenwoordige tijd)
2. Ayer Marta _______ la mesa para toda la familia. (verleden tijd)
3. _______ (tú) la tele, por favor, empieza la película. (gebiedende wijs)
4. Mañana _______ (nosotros) el árbol de Navidad. (toekomende tijd)
5. ¿Ya has _______ la lavadora? (voltooid deelwoord)
6. Hace frío, _______ (tú) el abrigo. (ponerse, gebiedende wijs)
7. Cuando yo era pequeño, mi abuela siempre _______ música clásica. (imperfecto)
8. _______ un café con leche, por favor. (tegen de barman, informeel)
9. Los niños _______ a llorar cuando vieron al perro. (ponerse a, verleden tijd)
10. Si tuviera tiempo, _______ (yo) orden en el garaje. (condicional)
Antwoorden: 1: pongo, 2: puso, 3: Pon, 4: pondremos, 5: puesto, 6: ponte, 7: ponía, 8: Ponme, 9: se pusieron, 10: pondría
In onze gratis cursus Spaans krijg je hier veel meer van: video-uitleg, oefeningen en persoonlijke hulp bij elke les.
👉 Volg hier gratis de cursus Spaans
Veelgestelde vragen over poner vervoegen
Hoe vervoeg je poner in het Spaans?
Poner vervoegen in de tegenwoordige tijd: pongo, pones, pone, ponemos, ponéis, ponen. Verleden tijd: puse, pusiste, puso, pusimos, pusisteis, pusieron. Imperfecto: ponía. Toekomende tijd: pondré. Voltooid deelwoord: puesto. Gebiedende wijs: pon.
Wat betekent poner?
Poner betekent leggen, zetten of neerzetten, en ook aanzetten of opzetten: poner la tele (de tv aanzetten), poner música (muziek opzetten). In uitdrukkingen betekent het ook dekken (poner la mesa) en geven (poner una multa, een boete geven).
Wat is pongo?
Pongo is de ik-vorm van poner in de tegenwoordige tijd: ik leg, ik zet, ik zet aan. Het is onregelmatig vanwege de g, net als tengo en vengo. Pongo la mesa is ik dek de tafel, me pongo el abrigo is ik trek mijn jas aan.
Wat is de verleden tijd van poner?
De verleden tijd (pretérito indefinido) van poner is puse, pusiste, puso, pusimos, pusisteis, pusieron, zonder accenten. Puse el libro en la mesa is ik heb het boek op tafel gelegd.
Wat is het voltooid deelwoord van poner?
Het voltooid deelwoord van poner is puesto, niet ponido. He puesto la mesa is ik heb de tafel gedekt. Je gebruikt het ook als bijvoeglijk naamwoord: la mesa está puesta, de tafel is gedekt.
Wat betekent ponme?
Ponme is de gebiedende wijs pon plus me, letterlijk zet mij neer. In een bar betekent het doe mij: ponme un café, doe mij een koffie. Met usted zeg je póngame, of je vraagt: ¿me pone un café?
Wat betekent ponerse?
Ponerse is de wederkerende vorm van poner: aantrekken (me pongo el abrigo, ik trek mijn jas aan), een houding innemen (ponerse de pie, gaan staan) en beginnen te (se puso a llorar, hij begon te huilen). Met een bijvoeglijk naamwoord betekent het worden: ponerse rojo, rood worden.
Wat betekent poner la mesa?
Poner la mesa betekent de tafel dekken, letterlijk de tafel zetten. ¿Pones la mesa? is dek jij de tafel? De tafel afruimen is quitar la mesa of recoger la mesa.
Spaans leren met onze cursussen
Onregelmatige werkwoorden als poner leer je het best met uitleg, oefeningen en feedback. Dat is precies hoe onze cursus Spaans werkt. Of je nu net begint of al gevorderd bent, je leert stap voor stap vloeiend Spaans spreken met persoonlijke begeleiding van twee docenten.
✨ Twijfel je over je niveau? Op de pagina van onze cursus Spaans staan alle drie de niveaus naast elkaar.
🧭 Benieuwd wat jouw niveau is? Doe de gratis taaltest Spaans en ontdek direct welke cursus bij jou past.
👉 Bekijk hier onze complete bloghub Spaans leren
🎁 Start hier de gratis cursus Spaans (inclusief app) en leer de basis met leuke video's en oefeningen.
Saludos,
Lusiana y Leroy ❤️
🇪🇸 KRIJG ONZE GRATIS ONLINE CURSUS SPAANS! 🇪🇸
De leukste en beste manier om goed Spaans te leren spreken
✅ Gratis (en heel leuk!❤️)
✅ Videolessen, quizzen, podcasts en ebooks.
✅ Persoonlijke hulp in onze online leeromgeving (en ja, ook gratis!)
Na aanmelden ontvang je jouw inlogcode en instructies via email.
Al meer dan 30.000 mensen doen mee, jij ook?
We zullen jouw informatie nooit verkopen, om welke reden dan ook.