Kleding in het Spaans: Woordenschat & Handige Zinnen

Jul 03, 2026
Kleding in het Spaans thumbnail

Op reis naar Spanje en op zoek naar de juiste maat broek? Of wil je gewoon kunnen zeggen wat je aanhebt? Dan is het handig om te weten hoe je kleding in het Spaans benoemt. Van basiswoorden als camisa (overhemd) en vaqueros (spijkerbroek) tot handige zinnen om te passen, af te rekenen en iets te ruilen: in deze blog vind je alles wat je nodig hebt.

Je leert de belangrijkste kledingstukken, schoenen en accessoires, de woorden voor ondergoed, zwemkleding en stoffen, hoe maten werken in Spanje, en de werkwoorden die erbij horen: llevar, ponerse, quitarse en probarse. Met een overzicht om te bewaren, oefeningen en de fouten die Nederlanders het vaakst maken.

🇪🇸 Gratis cursus Spaans (inclusief app)

Video's, oefeningen en persoonlijke hulp. Vul je naam en e-mail in en je zit binnen 2 minuten in je eerste les.

📚 Inhoudsopgave

Basiskleding in het Spaans

Het verzamelwoord is la ropa (kleding). Dit zijn de kledingstukken die je het vaakst nodig hebt:

Spaans Nederlands Voorbeeld
la camisa het overhemd, de blouse una camisa blanca
la camiseta het T-shirt una camiseta de algodón
el pantalón / los pantalones de broek un pantalón negro
los vaqueros de spijkerbroek unos vaqueros azules
los pantalones cortos de korte broek pantalones cortos de deporte
la falda de rok una falda larga
el vestido de jurk un vestido de verano
el jersey / el suéter de trui un jersey de lana
la sudadera de sweater, de hoodie una sudadera con capucha
la chaqueta het jasje, de jas (kort) una chaqueta vaquera
el abrigo de (winter)jas un abrigo largo
el traje het pak, het kostuum un traje gris

Let op: een broek noem je in het Spaans zowel in het enkelvoud (el pantalón) als in het meervoud (los pantalones). Beide zijn correct en betekenen één broek. Los vaqueros gebruik je altijd in het meervoud. En in Latijns-Amerika hoor je vaker los jeans en el suéter; in Spanje los vaqueros en el jersey.

Schoenen en accessoires

Spaans Nederlands
los zapatos de schoenen
las zapatillas (de deporte) de sneakers, sportschoenen
las botas de laarzen
las sandalias / las chanclas de sandalen / de slippers
los calcetines de sokken
el cinturón de riem
la bufanda de sjaal
los guantes de handschoenen
el gorro / el sombrero / la gorra de muts / de hoed / de pet
las gafas (de sol) de (zonne)bril
el bolso / la mochila de handtas / de rugzak

Las zapatillas zijn in Spanje sneakers, maar ook pantoffels (zapatillas de casa). Uit de context blijkt meestal wat bedoeld wordt.

Ondergoed, nachtkleding en zwemkleding

Deze woorden vergeten cursisten vaak, terwijl je ze op vakantie juist nodig hebt:

Spaans Nederlands
la ropa interior het ondergoed
los calzoncillos / las bragas de onderbroek (heren / dames)
el sujetador de bh
el pijama de pyjama
el bañador de zwembroek, het badpak
el bikini de bikini
la ropa de deporte de sportkleding

Stoffen en materialen

Wil je zeggen waar iets van gemaakt is, dan gebruik je de + de stof: una camisa de algodón (een katoenen overhemd).

  • el algodón – katoen
  • la lana – wol
  • el cuero / la piel – leer
  • la seda – zijde
  • el lino – linnen

Handig in de winkel: ¿Es de cuero? (Is het van leer?) of Busco algo de algodón (Ik zoek iets van katoen).

Kleur en maat combineren

Om een kledingstuk goed te omschrijven, combineer je het met een kleur en/of maat. Voor de kleuren zelf verwijzen we je naar onze blog over kleuren in het Spaans. Denk aan zinnen als:

  • Quiero una camisa azul. – Ik wil een blauw overhemd.
  • ¿Tiene esto en talla M? – Heeft u dit in maat M?
  • Necesito una talla más grande. – Ik heb een grotere maat nodig.
  • ¿Qué número calzas? – Welke schoenmaat heb je?

Twee dingen om te onthouden. Voor kleding gebruik je la talla (S, M, L of 38, 40, 42), maar voor schoenen gebruik je el número: calzo el 42 (ik heb maat 42). En het bijvoeglijk naamwoord (de kleur) past zich aan aan het geslacht van het kledingstuk: un vestido rojo, una falda roja. Meer hierover in onze blog over het bijvoeglijk naamwoord in het Spaans.

Llevar, ponerse, quitarse: de werkwoorden bij kleding

Om te zeggen dat je iets draagt, gebruik je llevar (letterlijk: dragen/meenemen). De andere werkwoorden zijn wederkerend; hoe die werken lees je in onze blog over wederkerende werkwoorden in het Spaans.

Werkwoord Betekenis Voorbeeld
llevar dragen, aanhebben Llevo una camiseta blanca. – Ik draag een wit T-shirt.
ponerse aantrekken, aandoen Me pongo el abrigo. – Ik trek mijn jas aan.
quitarse uittrekken, afdoen Quítate los zapatos. – Doe je schoenen uit.
probarse passen ¿Puedo probarme esto? – Mag ik dit passen?
vestirse zich aankleden Me visto en cinco minutos. – Ik kleed me in vijf minuten aan.
quedar (bien/mal) (goed/slecht) zitten, staan Te queda muy bien. – Het staat je heel goed.

Let op bij ponerse en quitarse: het Spaans gebruikt hier het bepaald lidwoord, niet het bezittelijk voornaamwoord. "Ik trek mijn jas aan" is me pongo el abrigo, niet me pongo mi abrigo. En ¿Qué llevas puesto? is de gewone manier om te vragen "Wat heb je aan?". De lichaamsdelen waar je die kleding over aantrekt, van la cabeza tot los pies, vind je in lichaamsdelen in het Spaans.

Quedar werkt net als gustar, met me, te, le: me queda grande (het is me te groot), me queda pequeño (het is me te klein), me queda estrecho (het zit te strak).

Handige zinnen om te winkelen

Met deze zinnen red je je in elke tienda de ropa (kledingwinkel):

  • Solo estoy mirando, gracias. – Ik kijk alleen even, dank u.
  • ¿Puedo probarme esto? – Mag ik dit passen?
  • ¿Dónde están los probadores? – Waar zijn de pashokjes?
  • ¿Lo tiene en otra talla / en otro color? – Heeft u het in een andere maat / een andere kleur?
  • Me queda bien / mal. – Het zit me goed / slecht.
  • ¿Cuánto cuesta? – Hoeveel kost het?
  • ¿Está de rebajas? – Is het afgeprijsd?
  • Me lo llevo. – Ik neem het (ik koop het).
  • ¿Puedo pagar con tarjeta? – Kan ik met de kaart betalen?
  • ¿Puedo cambiarlo o devolverlo? – Kan ik het ruilen of terugbrengen?

Handig om te weten: de grote uitverkoop heet las rebajas en begint in Spanje meestal begin januari en begin juli. En en efectivo betekent contant. Meer praktische zinnen voor je reis vind je in onze blog met 20 Spaanse woorden voor op reis.

Overzicht in één beeld

De twintig belangrijkste kledingwoorden uit deze blog in één overzicht, plus de twee winkelzinnen die je het meest gebruikt. Handig om op te slaan:

Overzicht kleding in het Spaans: camisa, camiseta, pantalón, vaqueros, falda, vestido, chaqueta, abrigo, zapatos, botas, cinturón, bufanda en meer met Nederlandse vertaling
Kleding, schoenen en accessoires in het Spaans, met de twee winkelzinnen die je altijd nodig hebt.

Oefening: kleding in het Spaans

Vertaal de zinnen naar het Spaans. De antwoorden staan eronder.

  1. Ik draag een blauwe broek.
  2. Mag ik deze jurk passen?
  3. Heeft u dit in een grotere maat?
  4. Ik neem deze schoenen.
  5. Doe je jas aan, het is koud.
  6. Deze trui is me te groot.
  7. Ik heb schoenmaat 39.

 

Antwoorden:

  1. Llevo un pantalón azul.
  2. ¿Puedo probarme este vestido?
  3. ¿Tiene esto en una talla más grande?
  4. Me llevo estos zapatos.
  5. Ponte el abrigo, hace frío.
  6. Este jersey me queda grande.
  7. Calzo el 39. (of: Tengo el número 39.)
Vond je deze oefening leuk? 🇪🇸
In onze gratis cursus Spaans krijg je hier veel meer van: video-uitleg, oefeningen en persoonlijke hulp bij elke les.
👉 Volg hier gratis de cursus Spaans

Veelgemaakte fouten

❌ Tengo una camisa azul. (bedoeld als "ik draag")
✓ Llevo una camisa azul.
Tener betekent "bezitten", niet "dragen". Om te zeggen wat je op dit moment aanhebt, gebruik je llevar.
❌ Una camisa azulo.
✓ Una camisa azul.
Kleuren zoals azul en verde veranderen niet mee met het geslacht. Alleen kleuren die op -o eindigen (zoals rojo/roja) passen zich aan.
❌ Me pongo mi abrigo.
✓ Me pongo el abrigo.
Bij kleding en lichaamsdelen gebruikt het Spaans het bepaald lidwoord, niet het bezittelijk voornaamwoord. Dat je het over je eigen jas hebt, zit al in me.
❌ ¿Qué talla de zapatos tienes?
✓ ¿Qué número calzas?
Voor schoenen gebruik je número, niet talla. Talla is voor kleding.
❌ El pantalón son azules.
✓ El pantalón es azul. / Los pantalones son azules.
Kies enkelvoud of meervoud en houd het werkwoord en het bijvoeglijk naamwoord daarmee in lijn.

Veelgestelde vragen over kleding in het Spaans

Wat is het verschil tussen llevar en vestir?

Llevar gebruik je om te zeggen wat je op dit moment draagt (llevo una camiseta). Vestirse gaat over het aankleden zelf (me visto por las mañanas). Voor een los kledingstuk aantrekken gebruik je ponerse: me pongo la chaqueta.

Waarom staat pantalón soms in het meervoud?

In het Spaans kun je een broek zowel in het enkelvoud (el pantalón) als in het meervoud (los pantalones) noemen. Beide vormen zijn correct en betekenen één broek. Let alleen op dat het werkwoord en het bijvoeglijk naamwoord meebuigen.

Hoe vraag je naar je maat in een Spaanse winkel?

Voor kleding vraag je ¿Tiene esto en talla M? (Heeft u dit in maat M?) of Necesito una talla más grande/pequeña. Voor schoenen gebruik je número: ¿Lo tiene en el 42? (Heeft u het in maat 42?).

Hoe zeg je "het zit me te groot" in het Spaans?

Met quedar: me queda grande (te groot), me queda pequeño (te klein), me queda estrecho (te strak). Zit het goed, dan zeg je me queda bien. Staat het iemand goed: te queda muy bien.

Wat is het verschil tussen chaqueta en abrigo?

La chaqueta is een kort jasje of een dunnere jas, zoals een spijkerjasje of een colbert. El abrigo is de lange, warme winterjas. Een sportjack noem je vaak la cazadora.

Hoe zeg je spijkerbroek in het Spaans?

In Spanje zeg je los vaqueros, altijd in het meervoud. In Latijns-Amerika hoor je meestal los jeans. Beide worden overal begrepen.

Spaans leren met onze cursussen

Wil je stap voor stap Spaans leren spreken met duidelijke uitleg, veel voorbeelden en persoonlijke begeleiding?

Meer blogs over Spaanse woordenschat

Kleuren in het Spaans
Leer alle basiskleuren benoemen en correct gebruiken.

20 Spaanse woorden voor op reis
De belangrijkste woorden om je te redden tijdens je vakantie.

Spaanse zinnen voor in een restaurant
Handige zinnen om vlot te kunnen bestellen en te betalen.

Tellen in het Spaans
Leer de getallen, handig voor maten en prijzen.

Wederkerende werkwoorden in het Spaans
Leer hoe ponerse, quitarse en vestirse werken.

👉 Bekijk hier onze complete bloghub Spaans leren

Conclusie

Met de woordenschat en zinnen uit deze blog kun je moeiteloos over kleding in het Spaans praten, of je nu aan het winkelen bent of beschrijft wat je aanhebt. Onthoud het verschil tussen llevar (dragen) en tener (bezitten), gebruik talla voor kleding en número voor schoenen, en zeg me queda bien als het past. Sla het overzicht op, oefen de winkelzinnen hardop en de volgende keer in Spanje loop je zo de rebajas in.

🇪🇸 Ga verder met onze gratis cursus Spaans, inclusief app, lesvideo's en uitgeschreven lesmateriaal met oefeningen. Helemaal gratis, geen verplichtingen.

🎁Gratis cadeautje voor jou (gratis cursus inclusief app)
Start hier de gratis cursus Spaans

Saludos,
Lusiana y Leroy ❤️

🇪🇸 KRIJG ONZE GRATIS ONLINE CURSUS SPAANS! 🇪🇸

De leukste en beste manier om goed Spaans te leren spreken

✅ Gratis (en heel leuk!❤️)
✅ Videolessen, quizzen, podcasts en ebooks.
✅
Persoonlijke hulp in onze online leeromgeving (en ja, ook gratis!)

Na aanmelden ontvang je jouw inlogcode en instructies via email.

Al meer dan 30.000 mensen doen mee, jij ook?

We zullen jouw informatie nooit verkopen, om welke reden dan ook.