Hobby's in het Spaans: Sport en Vrije Tijd + Voorbeelden

Nov 06, 2026

Hobby's in het Spaans zijn aficiones of gewoon hobbies, en het is een van de eerste onderwerpen waar je in Spanje over praat. Niet het weer, maar: wat doe je graag? Speel je padel? Van welke club ben je? Het lastige is dat het Spaans drie werkwoorden heeft waar wij "spelen" of "doen" zeggen: jugar, hacer en tocar. Wie juego la guitarra zegt, klinkt alsof hij met zijn gitaar speelt als een kind met een speeltje. In deze blog krijg je alle woorden voor sport en vrije tijd, de regels voor jugar, hacer, practicar en tocar, de zinnen waarmee je zegt wat je graag doet, een gesprek over hobby's en de fouten die Nederlanders steeds maken.

🇪🇸 Gratis cursus Spaans (inclusief app)

Video's, oefeningen en persoonlijke hulp. Vul je naam en e-mail in en je zit binnen 2 minuten in je eerste les.

📚 Inhoudsopgave

Hobby's in het Spaans: afición, hobby en tiempo libre

Hobby in het Spaans is la afición (a-fie-SION) of el hobby, en vrije tijd is el tiempo libre. De vraag die je het vaakst hoort is ¿Qué haces en tu tiempo libre?, wat doe je in je vrije tijd. Hobby is een leenwoord en Spanjaarden spreken het uit als CHO-bi, met de Spaanse j-klank. Afición is het Spaanse woord en klinkt net iets verzorgder.

Spaans Nederlands Uitspraak
la aficiónde hobby, de liefhebberija-fie-SION
el hobbyde hobbyCHO-bi
el tiempo librede vrije tijdTIEM-po LIE-bre
el ociode vrijetijdsbestedingO-sio
el deportede sportde-POR-te
¿Qué haces en tu tiempo libre?Wat doe je in je vrije tijd?ke A-ses en toe TIEM-po LIE-bre
¿Tienes algún hobby?Heb je een hobby?TIE-nes al-GOEN CHO-bi
En mi tiempo libre leo mucho.In mijn vrije tijd lees ik veel.en mie TIEM-po LIE-bre LE-o MOE-tsjo

Let op het geslacht: la afición is vrouwelijk, el hobby mannelijk. Dus mi afición favorita maar mi hobby favorito. Ocio zie je vooral op borden (zona de ocio, uitgaansgebied); in een gesprek zeg je tiempo libre. En la afición is ook de aanhang van een voetbalclub, de fans dus.

Sporten in het Spaans: fútbol, nadar, correr en montar en bici

Sporten in het Spaans is hacer deporte, letterlijk "sport doen", en voetballen is jugar al fútbol. Veel sporten hebben een eigen werkwoord: zwemmen is nadar, hardlopen is correr, fietsen is montar en bici.

Nederlands Spaans Zo zeg je dat je het doet Uitspraak
voetbal, voetballenel fútbolJuego al fútbol.FOET-bol
zwemmennadar, la nataciónNado dos veces por semana.na-DAR
hardlopencorrerSalgo a correr por la mañana.ko-RER
fietsenmontar en bici, ir en biciMonto en bici los domingos.mon-TAR en BIE-sie
wandelen (in de natuur)el senderismoHago senderismo.sen-de-RIES-mo
een wandeling makenpasear, dar un paseoDoy un paseo por la playa.pa-se-AR
padelel pádelJuego al pádel.PA-del
yogael yogaHago yoga.JO-ga
fitnessel gimnasioVoy al gimnasio.chiem-NA-sio
skiënesquiarEsquío en invierno.es-kie-AR

Fietsen is in het Spaans geen los werkwoord: je zegt montar en bici of ir en bici. Bici is kort voor bicicleta, en in Spanje zegt iedereen bici. Wandelen heeft twee kanten: een rondje door het dorp is dar un paseo, een tocht door de bergen is hacer senderismo. Fitness is in het Spaans geen sport maar een plek: voy al gimnasio. Wie sportief is, is deportista. Het werkwoord hacer kom je bij sport constant tegen; de vormen hago, haces, hace staan in hacer in het Spaans. En of je iets kunt, zeg je met saber: sé nadar (ik kan zwemmen), no sé esquiar (ik kan niet skiën). Dat sé met accent vind je in saber vervoegen.

Jugar, practicar, hacer of tocar: welk werkwoord bij welke hobby?

De regel is kort: jugar voor spellen en balsporten (jugar al fútbol), hacer voor de meeste andere sporten en activiteiten (hacer yoga), practicar als nettere variant van hacer bij sport (practicar deporte) en tocar voor muziekinstrumenten (tocar la guitarra). Wij zeggen overal "spelen" of "doen", en daar gaat het mis.

Werkwoord Wanneer Voorbeeld
jugar a (choe-GAR)spellen en balsporten, in Spanje bijna altijd met a + lidwoordJuego al fútbol. Ik voetbal. / Jugamos a las cartas. We kaarten.
hacer (a-SER)sporten zonder bal en activiteitenHago yoga. Ik doe yoga. / Hacemos senderismo. We wandelen in de bergen.
practicar (prak-tie-KAR)sport in het algemeen, iets formelerPractico deporte tres veces por semana. Ik sport drie keer per week.
tocar (to-KAR)muziekinstrumentenToco la guitarra. Ik speel gitaar. / Toca el piano. Zij speelt piano.
eigen werkwoordzwemmen, hardlopen, lezen, koken, dansenNado. Ik zwem. / Corro. Ik hardloop. / Leo. Ik lees.

Jugar is onregelmatig: de u wordt ue in alle vormen behalve wij en jullie. Juego, juegas, juega, jugamos, jugáis, juegan. En jugar krijgt in Spanje bijna altijd a plus lidwoord: a + el wordt al, dus jugar al fútbol; vrouwelijk of meervoud: jugar a la pelota, jugar a las cartas. Juego fútbol zonder al komt uit het Engels en klinkt in Spanje meteen buitenlands.

Tocar betekent eigenlijk aanraken. Toco la guitarra is letterlijk "ik raak de gitaar aan", en je gebruikt het voor elk instrument, met lidwoord: tocar el piano, tocar la batería (drummen). Hacer en practicar betekenen bij sport hetzelfde. In een gewoon gesprek zegt een Spanjaard hago deporte; practicar hoor je meer in formele zinnen en in de sportverslaggeving.

Creatieve en rustige hobby's in het Spaans: leer, cocinar, pintar en ver series

Lezen is leer, koken is cocinar, schilderen is pintar en series kijken is ver series. Dit zijn de hobby's voor wie niet zo van sport houdt, en ze hebben bijna allemaal een eigen werkwoord: geen jugar of hacer ervoor, gewoon vervoegen.

Nederlands Spaans Voorbeeld Uitspraak
lezenleerLeo una novela. Ik lees een roman.le-ER
kokencocinarMe gusta cocinar. Ik kook graag.ko-sie-NAR
schilderenpintarPinto los domingos. Op zondag schilder ik.pien-TAR
fotograferenla fotografía, hacer fotosHago fotos de pájaros. Ik fotografeer vogels.fo-to-gra-FIE-a
gamenjugar a videojuegosMi hijo juega a videojuegos. Mijn zoon gamet.bie-de-o-CHWE-gos
series kijkenver seriesVemos una serie cada noche. We kijken elke avond een serie.ber SE-ries
tuinierenla jardineríaMe relaja la jardinería. Tuinieren ontspant me.char-die-ne-RIE-a
breienhacer puntoMi abuela hace punto. Mijn oma breit.a-SER POEN-to

Gamen is in Spanje jugar a videojuegos of jugar a la consola. Breien is hacer punto, letterlijk "steekjes maken". Een hobby als zelfstandig naamwoord krijgt een lidwoord (me gusta la fotografía), als werkwoord niet (me gusta leer). Series kijken is voor jou ook een nuttige hobby; hoe je dat slim aanpakt, met de juiste ondertiteling en een kijklijst van Spaanse series, lees je in Spaans leren met series en films.

Zeggen wat je graag doet in het Spaans: me gusta, me encanta en se me da bien

Wat je graag doet zeg je met me gusta plus een infinitief: me gusta nadar, ik zwem graag. Is je hobby een zelfstandig naamwoord, dan krijgt het een lidwoord (me gusta el fútbol) en in het meervoud wordt het me gustan (me gustan los videojuegos). Gustar werkt anders dan ons "leuk vinden" en verdient een eigen uitleg; die staat met oefening in me gusta in het Spaans. Hier gaat het om de andere zinnen waarmee je over je hobby's vertelt.

Spaans Nederlands Let op
Me encanta cocinar.Ik vind koken heerlijk.sterker dan me gusta
No me gusta nada correr.Ik hou helemaal niet van hardlopen.dubbele ontkenning is normaal
Soy aficionado al fútbol.Ik ben een voetballiefhebber.aficionado a, een vrouw zegt aficionada
Se me da bien cocinar.Ik ben goed in koken.letterlijk: het geeft zich mij goed
Se me da fatal cantar.Ik kan totaal niet zingen.fatal = heel slecht
Prefiero leer a ver la tele.Ik lees liever dan dat ik tv kijk.preferir A a B

Se me da bien betekent "ik ben er goed in", en Spanjaarden gebruiken het de hele dag. Het tegenovergestelde is se me da mal of, sterker, se me da fatal. Over iemand anders: se te da bien (jij bent er goed in), se le da bien (hij of zij). Aficionado gaat met a, niet met de: soy aficionado a la pesca, ik hou van vissen.

Een gesprek over hobby's in het Spaans: ¿qué te gusta hacer?

Een gesprek over hobby's begint bijna altijd met ¿Qué haces en tu tiempo libre? of ¿Qué te gusta hacer?, en daarna komt het vanzelf. Hieronder een gesprek van acht regels tussen Ana en Tom, die elkaar net kennen.

Spaans Nederlands
Ana: ¿Qué haces en tu tiempo libre?Wat doe je in je vrije tijd?
Tom: Pues hago mucho deporte. Juego al pádel dos veces por semana. ¿Y tú?Nou, ik sport veel. Ik speel twee keer per week padel. En jij?
Ana: Yo no soy muy deportista. Me gusta más leer y cocinar.Ik ben niet zo sportief. Ik lees en kook liever.
Tom: ¿Qué tipo de libros lees?Wat voor boeken lees je?
Ana: Sobre todo novelas. Y los fines de semana salgo a caminar con mis amigas.Vooral romans. En in het weekend ga ik wandelen met mijn vriendinnen.
Tom: ¡Qué bien! A mí también me encanta caminar. ¿Tocas algún instrumento?Wat leuk! Ik hou ook van wandelen. Speel je een instrument?
Ana: Toco un poco la guitarra, pero se me da fatal.Ik speel een beetje gitaar, maar ik ben er heel slecht in.
Tom: Bueno, lo importante es pasarlo bien.Nou ja, het belangrijkste is dat je het leuk hebt.

Drie dingen vallen op. Pues aan het begin van een antwoord is het Spaanse "nou". A mí también is "ik ook" als antwoord op een zin met me gusta; gewoon yo también klinkt daar vreemd. En pasarlo bien is "het leuk hebben". Zo'n gesprek komt meestal na de kennismaking: eerst je naam en waar je vandaan komt, dan wat je graag doet. Die eerste stap staat in jezelf voorstellen in het Spaans. Wil je dit gesprek eerst hardop oefenen zonder dat iemand meeluistert? Dat kan met een AI-gesprekspartner die je corrigeert: Spaans spreken oefenen met de Spreekapp.

Hoe vaak en wanneer: los fines de semana en dos veces por semana

Hoe vaak je iets doet, zeg je met una vez (één keer) of dos veces (twee keer) plus por semana of al mes: juego al pádel dos veces por semana. Wanneer je het doet, zeg je met een dag of dagdeel met lidwoord: los sábados (op zaterdag), por la tarde ('s middags).

Spaans Nederlands Voorbeeld
todos los díaselke dagCorro todos los días. Ik hardloop elke dag.
los fines de semanain het weekendLos fines de semana hacemos senderismo. In het weekend wandelen we.
dos veces por semanatwee keer per weekNado dos veces por semana. Ik zwem twee keer per week.
los martes y los juevesop dinsdag en donderdagTengo clase de pádel los martes y los jueves. Ik heb padelles op dinsdag en donderdag.
de vez en cuandoaf en toeToco la guitarra de vez en cuando. Ik speel af en toe gitaar.
desde pequeño / pequeñavan kleins af aanJuego al fútbol desde pequeño. Ik voetbal al van kleins af aan.

Twee valkuilen. Eén: bij dagen zet het Spaans een lidwoord en geen voorzetsel. Op zaterdag is el sábado (die ene) of los sábados (elke zaterdag), nooit en sábado. Alle dagen staan in de dagen van de week in het Spaans. Twee: los fines de semana is meervoud en betekent elk weekend; dit weekend is este fin de semana. Soms, vaak, altijd en nooit (a veces, a menudo, siempre, nunca) staan met voorbeelden in tijdwoorden in het Spaans.

Hobby's als gespreksopener in Spanje: pádel, voetbal en de wandelclub

In Spanje is vragen naar iemands hobby's een normale manier om een praatje te beginnen, en drie onderwerpen werken bijna altijd: padel, voetbal en wandelen. Padel is de snelst groeiende sport van het land, voetbal is overal gespreksstof en in elk dorp is wel een wandelgroep.

Spaans Nederlands Wanneer
¿Juegas al pádel?Speel je padel?bij bijna iedereen onder de zestig
Me he apuntado a clases de pádel.Ik heb me ingeschreven voor padelles.apuntarse a = zich inschrijven voor
¿De qué equipo eres?Van welke club ben je?voetbal, de standaardvraag
Soy del Madrid. / Soy del Barça.Ik ben voor Madrid. / Ik ben voor Barça.altijd ser de + club
¿Viste el partido de ayer?Heb je de wedstrijd van gisteren gezien?maandagochtend, overal
¿Hay algún grupo de senderismo en el pueblo?Is er een wandelgroep in het dorp?vaak via het ayuntamiento
¿Quedamos para jugar el sábado?Zullen we zaterdag afspreken om te spelen?quedar = afspreken

Apuntarse a is zich inschrijven of meedoen: me apunto is "ik doe mee" en ¿te apuntas? is de losse manier om iemand uit te nodigen. Quedar is afspreken: quedamos a las seis. El polideportivo is het gemeentelijke sportcentrum, waar het ayuntamiento (de gemeente) cursussen organiseert. Meer zinnen om een eerste gesprek te beginnen vind je in 10 Spaanse zinnen om nieuwe mensen te ontmoeten.

Overzicht in één beeld

Infographic hobby's in het Spaans: voetballen, zwemmen, fietsen, wandelen, gitaar spelen, lezen en koken met de Spaanse zin en de uitspraak
Overzicht: de belangrijkste hobby's in het Spaans, met de zin waarmee je zegt dat je het doet en hoe je het uitspreekt.

Veelgemaakte fouten

❌ Fout: Juego la guitarra.
✓ Correct: Toco la guitarra.
Uitleg: Een instrument spelen is in het Spaans tocar, letterlijk aanraken. Jugar is alleen voor spellen en sporten.
❌ Fout: Juego fútbol.
✓ Correct: Juego al fútbol.
Uitleg: In Spanje krijgt jugar bijna altijd a plus het lidwoord: jugar al fútbol, jugar al tenis, jugar a las cartas. Zonder al klinkt het Engels.
❌ Fout: Mi hobby es nadando.
✓ Correct: Mi hobby es nadar.
Uitleg: Na es en na me gusta komt de infinitief, niet de vorm op -ando of -iendo. Die -ing uit het Engels moet je loslaten.
❌ Fout: Soy aficionado de fútbol.
✓ Correct: Soy aficionado al fútbol.
Uitleg: Aficionado gaat met a, en a + el wordt al. Een vrouw zegt aficionada: soy aficionada a la lectura.
❌ Fout: Hago correr.
✓ Correct: Corro. / Salgo a correr.
Uitleg: Ons 'ik doe aan hardlopen' vertaal je niet met hacer. Heeft de sport een eigen werkwoord (correr, nadar, esquiar), dan vervoeg je dat gewoon. Hacer is voor sporten die een zelfstandig naamwoord zijn: hacer yoga.
❌ Fout: Juego al yoga.
✓ Correct: Hago yoga.
Uitleg: Yoga is geen spel en geen balsport, dus geen jugar. Alles zonder bal of tegenstander gaat met hacer: hacer yoga, hacer pilates, hacer senderismo, hacer surf.

Oefening: hobby's in het Spaans

Vul de juiste werkwoordsvorm of het gevraagde woord in. De antwoorden staan onder de streep.

1. Los sábados _______ (jugar, yo) al fútbol con mis amigos.

2. Mi hermana _______ (tocar) el piano muy bien.

3. ¿_______ (hacer, tú) deporte?

4. En mi tiempo libre me gusta _______. (lezen)

5. Nosotros _______ (montar) en bici los domingos.

6. Mi _______ favorita es la fotografía. (hobby, het vrouwelijke woord)

7. ¿Te gusta _______? (zwemmen)

8. Ellos _______ (jugar) a las cartas todas las tardes.

9. Se me _______ muy bien cocinar. (dar)

10. Vamos a _______ senderismo este fin de semana. (jugar, hacer of tocar?)

 

Antwoorden: 1: juego, 2: toca, 3: Haces, 4: leer, 5: montamos, 6: afición, 7: nadar, 8: juegan, 9: da, 10: hacer (geen bal, geen instrument, dus hacer)

Vond je deze oefening leuk? 🇪🇸
In onze gratis cursus Spaans krijg je hier veel meer van: video-uitleg, oefeningen en persoonlijke hulp bij elke les.
👉 Volg hier gratis de cursus Spaans

Veelgestelde vragen over hobby's in het Spaans

Hoe zeg je hobby's in het Spaans?

Hobby's in het Spaans zijn aficiones of hobbies. Eén hobby is una afición (vrouwelijk) of un hobby (mannelijk, uitgesproken als CHO-bi). Mijn hobby's zijn lezen en koken: mis aficiones son leer y cocinar.

Wat is vrije tijd in het Spaans?

Vrije tijd in het Spaans is el tiempo libre. In mijn vrije tijd is en mi tiempo libre. Wat doe je in je vrije tijd vraag je met ¿Qué haces en tu tiempo libre? Die vraag hoor je vaak.

Hoe zeg je sporten in het Spaans?

Sporten in het Spaans is hacer deporte: hago deporte tres veces por semana, ik sport drie keer per week. Iets formeler is practicar deporte. Een sportief persoon is deportista: soy muy deportista.

Hoe zeg je voetballen in het Spaans?

Voetballen in het Spaans is jugar al fútbol, altijd met al. Ik voetbal is juego al fútbol, met de klinkerwisseling van jugar: juego, juegas, juega, jugamos, jugáis, juegan.

Hoe zeg je wat doe je graag in het Spaans?

Wat doe je graag in het Spaans is ¿Qué te gusta hacer? Je kunt ook vragen ¿Qué haces en tu tiempo libre? (wat doe je in je vrije tijd) of ¿Tienes algún hobby? (heb je een hobby). Antwoord: me gusta plus een werkwoord, me gusta nadar.

Wat is het verschil tussen jugar en practicar?

Jugar is spelen, voor spellen en balsporten: jugar al fútbol. Practicar is sport beoefenen in het algemeen en klinkt wat formeler: practicar deporte. In een gewoon gesprek zeggen Spanjaarden eerder hacer: hago yoga.

Hoe zeg je in mijn vrije tijd in het Spaans?

In mijn vrije tijd in het Spaans is en mi tiempo libre. Bijvoorbeeld: en mi tiempo libre leo y hago senderismo, in mijn vrije tijd lees ik en wandel ik in de bergen.

Hoe zeg je gitaar spelen in het Spaans?

Gitaar spelen in het Spaans is tocar la guitarra, niet jugar. Speel je een instrument vraag je met ¿Tocas algún instrumento? Tocar betekent letterlijk aanraken en geldt voor alle instrumenten: toca el piano.

Spaans leren met onze cursussen

Over je hobby's praten is een van de leukste gespreksonderwerpen. In onze Spaanse cursus voor beginners oefen je precies zulke gesprekken. Of je nu net begint of al gevorderd bent, je leert stap voor stap vloeiend Spaans spreken met persoonlijke begeleiding van twee docenten.

✨ Of bekijk het volledige overzicht van onze Spaanse cursus online.

🧭 Benieuwd wat jouw niveau is? Doe de gratis taaltest Spaans en ontdek direct welke cursus bij jou past.

👉 Bekijk hier onze complete bloghub Spaans leren

🎁 Start hier de gratis cursus Spaans (inclusief app) en leer de basis met leuke video's en oefeningen.

Saludos,
Lusiana y Leroy ❤️

🇪🇸 KRIJG ONZE GRATIS ONLINE CURSUS SPAANS! 🇪🇸

De leukste en beste manier om goed Spaans te leren spreken

✅ Gratis (en heel leuk!❤️)
✅ Videolessen, quizzen, podcasts en ebooks.
✅
Persoonlijke hulp in onze online leeromgeving (en ja, ook gratis!)

Na aanmelden ontvang je jouw inlogcode en instructies via email.

Al meer dan 30.000 mensen doen mee, jij ook?

We zullen jouw informatie nooit verkopen, om welke reden dan ook.