Vivir Vervoegen: Wonen en Leven in het Spaans in 4 Tijden
Oct 22, 2026Vivir vervoegen heb je in Spanje elke dag nodig: ¿Dónde vives? (waar woon je?), Vivo en Madrid (ik woon in Madrid), Mis padres viven en Alicante (mijn ouders wonen in Alicante). Vivir betekent wonen én leven, en het is het modelwerkwoord voor alle regelmatige werkwoorden op -ir. Ken je vivir, dan ken je er meteen een paar honderd. In deze blog zie je vivir in de presente, de indefinido, de imperfecto en de futuro, met uitspraak en een voorbeeldzin per persoon. Daarna de vragen die je echt gaat horen, de uitdrukkingen (vivir de, ¡viva España!), de fouten die Nederlanders maken en een oefening van tien zinnen.
🇪🇸 Gratis cursus Spaans (inclusief app)
Video's, oefeningen en persoonlijke hulp. Vul je naam en e-mail in en je zit binnen 2 minuten in je eerste les.
📚 Inhoudsopgave
- Wat betekent vivir en hoe spreek je het uit?
- Vivir vervoegen in de presente: vivo, vives, vive
- ¿Dónde vives? Vragen en antwoorden met vivir
- Vivir vervoegen in de pretérito indefinido: viví, viviste
- Vivir in de imperfecto: vivía, vivías, vivía
- Vivir vervoegen in de futuro simple: viviré, vivirás
- He vivido en estoy viviendo: perfecto en gerundio kort
- Uitdrukkingen en veelgebruikte zinnen met vivir
- Overzicht in één beeld
- Veelgemaakte fouten
- Oefening
- Veelgestelde vragen
- Spaans leren met onze cursussen
Wat betekent vivir en hoe spreek je het uit?
Vivir betekent twee dingen: wonen en leven. In het Nederlands zijn dat twee werkwoorden, in het Spaans één. Uit de zin is altijd duidelijk welke je bedoelt.
De uitspraak: bie-BIER. Beide v's klinken als een b, want Spanjaarden horen geen verschil tussen v en b. De klemtoon ligt op de laatste lettergreep.
| Betekenis | Spaans | Nederlands |
|---|---|---|
| wonen | Vivo en Madrid. | Ik woon in Madrid. |
| wonen | Vivimos en un piso en el centro. | We wonen in een flat in het centrum. |
| leven | Mi abuela vive muy bien. | Mijn oma heeft een goed leven. |
| leven | Vive de la pintura. | Hij leeft van de schilderkunst. |
| leven | ¡Viva España! | Leve Spanje! |
Let op het voorzetsel. Vivir en zegt waar je woont (vivo en Sevilla), vivir con met wie (vivo con mi pareja) en vivir de waarvan je leeft (vive de su pensión). "Ik woon in Madrid" is dus nooit vivo a Madrid.
Vivir is het modelwerkwoord voor de regelmatige werkwoorden op -ir. Escribir (schrijven) en abrir (openen) volgen hetzelfde patroon, en salir (weggaan, uitgaan) ook, op één uitzondering in de ik-vorm na, die je ziet in salir vervoegen.
Vivir vervoegen in de presente: vivo, vives, vive
De tegenwoordige tijd van vivir is helemaal regelmatig: stam viv- plus de uitgangen van de -ir-werkwoorden. Hoe die regel voor -ar, -er en -ir werkt, lees je in Spaanse werkwoorden vervoegen.
| Persoon | Vivir | Uitspraak | Voorbeeldzin |
|---|---|---|---|
| yo | vivo | BIE-bo | Vivo en Valencia. Ik woon in Valencia. |
| tú | vives | BIE-bes | ¿Vives solo? Woon je alleen? |
| él / ella / usted | vive | BIE-be | Mi hermana vive en Alicante. Mijn zus woont in Alicante. |
| nosotros / nosotras | vivimos | bie-BIE-mos | Vivimos cerca de la playa. We wonen vlak bij het strand. |
| vosotros / vosotras | vivís | bie-BIES | ¿Dónde vivís? Waar wonen jullie? |
| ellos / ellas / ustedes | viven | BIE-ben | Mis padres viven en Utrecht. Mijn ouders wonen in Utrecht. |
Let op: vivís heeft een accent op de i. En Spanjaarden laten het onderwerp meestal weg: niet yo vivo en Madrid, gewoon vivo en Madrid. De uitgang zegt al wie het is.
De presente gebruik je ook als iets al een tijd zo is. "Ik woon hier al tien jaar" is in het Spaans gewoon tegenwoordige tijd: vivo aquí desde hace diez años.
¿Dónde vives? Vragen en antwoorden met vivir
¿Dónde vives? is na ¿cómo te llamas? en ¿de dónde eres? de vraag die je het vaakst krijgt. Hoe je dat hele voorstelrondje doet, lees je in jezelf voorstellen in het Spaans. Hier gaat het om de vragen met vivir.
| Vraag | Nederlands | Antwoord |
|---|---|---|
| ¿Dónde vives? | Waar woon je? | Vivo en Rotterdam. Ik woon in Rotterdam. |
| ¿Dónde vive usted? | Waar woont u? | Vivo en Sevilla. Ik woon in Sevilla. |
| ¿Con quién vives? | Met wie woon je? | Vivo con mi pareja. Ik woon samen met mijn partner. / Vivo sola. Ik woon alleen. |
| ¿Desde cuándo vives aquí? | Sinds wanneer woon je hier? | Vivo aquí desde 2020. Ik woon hier sinds 2020. |
| ¿Vives en una casa o en un piso? | Woon je in een huis of in een flat? | Vivo en un piso pequeño. Ik woon in een kleine flat. |
Bij ¿desde cuándo vives aquí? antwoord je met een moment (desde 2020) of met een periode, en dan komt er hace bij: vivo aquí desde hace tres años (ik woon hier al drie jaar). Dat desde hace leggen we uit in acabar de in het Spaans.
Een piso is een appartement, een casa een huis. De woorden voor kamers en meubels vind je in het huis in het Spaans.
Je komt ook habitar (schrijftaal) en residir (ambtelijk, denk aan el permiso de residencia) tegen. In een gesprek zeggen Spanjaarden altijd vivir. Doe dat ook.
Vivir vervoegen in de pretérito indefinido: viví, viviste
De pretérito indefinido is voor een afgesloten periode: je hebt twee jaar in Granada gewoond en nu niet meer. Ook hier is vivir regelmatig. Wanneer je de indefinido kiest, lees je in onze uitleg van de pretérito indefinido.
| Persoon | Vivir | Uitspraak | Voorbeeldzin |
|---|---|---|---|
| yo | viví | bie-BIE | Viví dos años en Granada. Ik heb twee jaar in Granada gewoond. |
| tú | viviste | bie-BIES-te | ¿Viviste en Madrid? Heb jij in Madrid gewoond? |
| él / ella / usted | vivió | bie-BJO | Mi abuelo vivió hasta los noventa años. Mijn opa heeft tot zijn negentigste geleefd. |
| nosotros / nosotras | vivimos | bie-BIE-mos | Vivimos un año en Barcelona. We hebben een jaar in Barcelona gewoond. |
| vosotros / vosotras | vivisteis | bie-bie-STEIS | ¿Vivisteis juntos en Francia? Hebben jullie samen in Frankrijk gewoond? |
| ellos / ellas / ustedes | vivieron | bie-BJE-ron | Vivieron muchos años en Málaga. Ze hebben jarenlang in Málaga gewoond. |
Let op de accenten: viví en vivió hebben er een, de rest niet. En vivimos is hetzelfde als in de presente: vivimos en Barcelona is nu, vivimos un año en Barcelona is toen. Het tijdwoord doet het werk.
Valt je op dat de vertaling steeds "heb gewoond" is? Wij gebruiken voor een afgesloten periode een voltooide tijd, Spanjaarden niet. Viví dos años en Granada, klaar.
Vivir in de imperfecto: vivía, vivías, vivía
De imperfecto is de tijd van "vroeger" en "toen": hoe het was, zonder begin of eind. Hierin vertel je waar je als kind woonde. Alle vormen hebben een accent op de í. Wanneer je de imperfecto kiest, staat in onze uitleg van de imperfecto.
| Persoon | Vivir | Uitspraak | Voorbeeldzin |
|---|---|---|---|
| yo | vivía | bie-BIE-a | Cuando era niño, vivía en un pueblo. Toen ik klein was, woonde ik in een dorp. |
| tú | vivías | bie-BIE-as | ¿Dónde vivías antes? Waar woonde je vroeger? |
| él / ella / usted | vivía | bie-BIE-a | Mi abuela vivía sola. Mijn oma woonde alleen. |
| nosotros / nosotras | vivíamos | bie-BIE-a-mos | Vivíamos cerca del mar. We woonden dicht bij zee. |
| vosotros / vosotras | vivíais | bie-BIE-ais | ¿Vivíais en el centro? Woonden jullie in het centrum? |
| ellos / ellas / ustedes | vivían | bie-BIE-an | Mis padres vivían en el campo. Mijn ouders woonden op het platteland. |
De yo-vorm en de él-vorm zijn hetzelfde: vivía. Imperfecto en indefinido komen vaak samen in één zin. De imperfecto is de achtergrond, de indefinido de gebeurtenis: Vivía en Madrid cuando conocí a mi mujer (ik woonde in Madrid toen ik mijn vrouw leerde kennen).
Vivir vervoegen in de futuro simple: viviré, vivirás
De toekomende tijd is de makkelijkste van de vier. Je laat vivir heel en plakt de uitgangen erachter: -é, -ás, -á, -emos, -éis, -án.
| Persoon | Vivir | Uitspraak | Voorbeeldzin |
|---|---|---|---|
| yo | viviré | bie-bie-RE | El año que viene viviré en España. Volgend jaar woon ik in Spanje. |
| tú | vivirás | bie-bie-RAS | ¿Dónde vivirás? Waar ga je wonen? |
| él / ella / usted | vivirá | bie-bie-RA | Mi hijo vivirá en Madrid. Mijn zoon gaat in Madrid wonen. |
| nosotros / nosotras | viviremos | bie-bie-RE-mos | Viviremos cerca de la playa. We gaan vlak bij het strand wonen. |
| vosotros / vosotras | viviréis | bie-bie-REIS | ¿Viviréis en la costa? Gaan jullie aan de kust wonen? |
| ellos / ellas / ustedes | vivirán | bie-bie-RAN | Mis padres vivirán en Alicante. Mijn ouders gaan in Alicante wonen. |
Alle vormen hebben een accent, behalve viviremos. De klemtoon ligt op de uitgang, dus je hoort het verschil met de presente meteen: vivo (BIE-bo) tegenover viviré (bie-bie-RE).
Zit je zelf met de vraag ¿dónde viviremos? omdat Spanje lonkt? Hoe je je Spaans op orde krijgt voordat je gaat, staat in emigreren naar Spanje en Spaans leren.
He vivido en estoy viviendo: perfecto en gerundio kort
Twee vormen van vivir hoor je daarnaast dagelijks. Het voltooid deelwoord vivido (regelmatig op -ido) geeft de pretérito perfecto: he vivido. Het gerundio viviendo gebruik je met estar en llevar.
| Vorm | Spaans | Nederlands |
|---|---|---|
| he vivido | He vivido en tres países. | Ik heb in drie landen gewoond. |
| has vivido | ¿Has vivido alguna vez en el extranjero? | Heb je ooit in het buitenland gewoond? |
| estoy viviendo | Estoy viviendo en Madrid por trabajo. | Ik woon nu (tijdelijk) in Madrid voor mijn werk. |
| llevo ... viviendo | Llevo cinco años viviendo aquí. | Ik woon hier al vijf jaar. |
Het verschil met de indefinido in één zin: he vivido als de periode nog open is of nog meetelt (alguna vez, toda mi vida), viví als die afgesloten is (en 2010, dos años). En estoy viviendo zeg je alleen als het tijdelijk voelt. Woon je gewoon ergens, dan is het vivo.
Uitdrukkingen en veelgebruikte zinnen met vivir
Omdat vivir ook "leven" betekent, zit het in een rij uitdrukkingen die je in Spanje elke dag hoort.
| Uitdrukking | Letterlijk | Betekenis en voorbeeld |
|---|---|---|
| vivir bien | goed leven | Een goed leven hebben. Aquí se vive muy bien. Het is hier goed leven. |
| vivir de | leven van | Je inkomen ergens uit halen. Vive de su pensión. Ze leeft van haar pensioen. |
| vivir al día | bij de dag leven | Niets overhouden. Con este sueldo vivimos al día. Met dit salaris komen we net rond. |
| vivir el momento | het moment leven | Genieten van nu. Hay que vivir el momento. Je moet van het moment genieten. |
| vivir de alquiler | van huur leven | Huren. Vivimos de alquiler. We huren. |
| vive y deja vivir | leef en laat leven | Yo no me meto: vive y deja vivir. Ik bemoei me er niet mee: leef en laat leven. |
| ¡viva! | leve! | ¡Viva España! ¡Vivan los novios! Leve Spanje! Leve het bruidspaar! |
Over dat ¡viva!: het is geen presente maar een subjuntivo, en daarom vivan bij een meervoud. Je gebruikt het zoals wij "leve": bij een toost, een bruiloft of een voetbalwedstrijd.
Uit vivir komen ook la vida (het leven), la vivienda (de woning, op borden en in advertenties) en música en vivo (livemuziek).
Overzicht in één beeld
Veelgemaakte fouten
✓ Correct: Vivo en Madrid.
Uitleg: Bij vivir hoort en voor de plaats. A is voor beweging (voy a Madrid), niet voor wonen.
✓ Correct: Viví en Madrid durante cinco años.
Uitleg: Een afgesloten periode met een duur erbij (vijf jaar) is indefinido. De imperfecto is voor hoe het vroeger was, zonder begin of eind: vivía en Madrid cuando era joven.
✓ Correct: Viví en Sevilla en 2010.
Uitleg: In het Nederlands zeg je "ik heb gewoond", maar een afgesloten jaartal is in het Spaans altijd indefinido. He vivido hoort bij een open periode: he vivido en tres ciudades.
✓ Correct: Vivo aquí desde hace tres años.
Uitleg: Na desde komt een moment (desde 2020). Bij een periode (drie jaar) heb je desde hace nodig. Of: llevo tres años viviendo aquí.
✓ Correct: ¿Dónde vives?
Uitleg: Vive is de u-vorm en de hij/zij-vorm. Tegen iemand die je met tú aanspreekt, en in Spanje is dat bijna iedereen, vraag je ¿dónde vives?
✓ Correct: ¿Dónde vivís?
Uitleg: De jullie-vorm heeft een accent op de i, anders valt de klemtoon verkeerd. Hetzelfde geldt voor viví, vivió en alle vormen van de imperfecto.
Oefening: vivir vervoegen
Vul de juiste vorm van vivir in. Tussen haakjes staat de tijd en, als dat nodig is, de persoon. De antwoorden staan onder de streep.
1. Yo _______ (presente) en Ámsterdam.
2. ¿Dónde _______ (presente) tú?
3. Mis abuelos _______ (presente) en un pueblo pequeño.
4. El año pasado _______ (indefinido, nosotros) seis meses en Málaga.
5. Mi abuelo _______ (indefinido) hasta los noventa y cinco años.
6. Cuando era pequeña, _______ (imperfecto, yo) cerca del mar.
7. ¿Dónde _______ (imperfecto, vosotros) antes?
8. El año que viene _______ (futuro, nosotros) en España.
9. ¿Alguna vez _______ (pretérito perfecto, tú) en el extranjero?
10. Llevo tres años _______ (gerundio) aquí.
Antwoorden: 1: vivo, 2: vives, 3: viven, 4: vivimos, 5: vivió, 6: vivía, 7: vivíais, 8: viviremos, 9: has vivido, 10: viviendo
In onze gratis cursus Spaans krijg je hier veel meer van: video-uitleg, oefeningen en persoonlijke hulp bij elke les.
👉 Volg hier gratis de cursus Spaans
Veelgestelde vragen over vivir vervoegen
Hoe vervoeg je vivir in het Spaans?
In de presente is vivir: vivo, vives, vive, vivimos, vivís, viven. Helemaal regelmatig: stam viv- plus de uitgangen van de -ir-werkwoorden. In de indefinido wordt het viví, viviste, vivió, vivimos, vivisteis, vivieron, in de imperfecto vivía, vivías, vivía, vivíamos, vivíais, vivían en in de futuro viviré, vivirás, vivirá, viviremos, viviréis, vivirán.
Wat betekent vivir?
Vivir betekent wonen én leven. Vivo en Madrid is ik woon in Madrid, mi abuela vive bien is mijn oma heeft een goed leven. Welke betekenis bedoeld wordt, blijkt uit de zin.
Wat is vivir in de verleden tijd?
Een afgesloten periode is indefinido: viví dos años en Granada (ik heb twee jaar in Granada gewoond). Hoe het vroeger was, is imperfecto: vivía en un pueblo (ik woonde in een dorp). Een periode die nog meetelt is perfecto: he vivido en tres países.
Hoe spreek je vivir uit?
Vivir spreek je uit als bie-BIER, met de klemtoon op de laatste lettergreep. Beide v's klinken als een b. Vivo is BIE-bo, vivimos is bie-BIE-mos.
Hoe zeg je ik woon in Spanje in het Spaans?
Vivo en España. Let op het voorzetsel en: nooit vivo a España. Woon je er al een tijd, dan zeg je vivo en España desde hace cinco años, gewoon in de tegenwoordige tijd.
Hoe vraag je waar woon je in het Spaans?
¿Dónde vives? Tegen iemand die je met u aanspreekt: ¿dónde vive usted? Tegen een groep: ¿dónde vivís? Het antwoord begint met vivo en: vivo en Utrecht.
Wat is het verschil tussen vivir en, vivir con en vivir de?
Vivir en zegt waar je woont (vivo en un piso), vivir con met wie (vivo con mi pareja) en vivir de waarvan je leeft (vive de su pensión).
Wat betekent viva in het Spaans?
¡Viva! betekent leve! Het is de subjuntivo van vivir, en bij een meervoud wordt het vivan: ¡Viva España!, ¡Vivan los novios! Je hoort het bij een toost, een bruiloft of een voetbalwedstrijd.
Spaans leren met onze cursussen
Gebruik deze blog als opstap om verder te leren met onze online cursussen. Of je nu net begint of al gevorderd bent, je leert stap voor stap vloeiend Spaans spreken met persoonlijke begeleiding van twee docenten.
✨ Of bekijk het volledige overzicht: Bekijk alle cursussen Spaans.
🧭 Benieuwd wat jouw niveau is? Doe de gratis taaltest Spaans en ontdek direct welke cursus bij jou past.
👉 Bekijk hier onze complete bloghub Spaans leren
🎁 Start hier de gratis cursus Spaans (inclusief app) en leer de basis met leuke video's en oefeningen.
Saludos,
Lusiana y Leroy ❤️
🇪🇸 KRIJG ONZE GRATIS ONLINE CURSUS SPAANS! 🇪🇸
De leukste en beste manier om goed Spaans te leren spreken
✅ Gratis (en heel leuk!❤️)
✅ Videolessen, quizzen, podcasts en ebooks.
✅ Persoonlijke hulp in onze online leeromgeving (en ja, ook gratis!)
Na aanmelden ontvang je jouw inlogcode en instructies via email.
Al meer dan 30.000 mensen doen mee, jij ook?
We zullen jouw informatie nooit verkopen, om welke reden dan ook.