Het Huis in het Spaans: Kamers, Meubels en Uitspraak
Oct 07, 2026Over het huis in het Spaans praten heb je sneller nodig dan je denkt. Je huurt een appartement voor de zomer, je vertelt een Spaanse vriend hoe je woont, je zoekt de badkamer bij iemand thuis of je staat bij de makelaar in Alicante. In deze blog leer je alle woorden voor het huis: de kamers, de meubels in de woonkamer, de keuken, de slaapkamer en de badkamer, met uitspraak. Daarna leer je hoe je je huis beschrijft (Vivo en un piso en el centro), welke woorden je nodig hebt om te huren of te kopen, en welke huishoudelijke werkwoorden Spanjaarden dagelijks gebruiken. We sluiten af met de fouten die Nederlanders het vaakst maken en een oefening.
🇪🇸 Gratis cursus Spaans (inclusief app)
Video's, oefeningen en persoonlijke hulp. Vul je naam en e-mail in en je zit binnen 2 minuten in je eerste les.
📚 Inhoudsopgave
- Het huis in het Spaans: de basiswoorden
- Kamers in het Spaans
- De woonkamer: meubels in het Spaans
- De keuken in het Spaans
- De slaapkamer en de badkamer
- Je huis beschrijven in het Spaans
- Een huis huren of kopen: de woorden die je nodig hebt
- Het huishouden: werkwoorden voor in huis
- Overzicht in één beeld
- Veelgemaakte fouten
- Oefening
- Veelgestelde vragen
- Spaans leren met onze cursussen
Het huis in het Spaans: de basiswoorden
Het belangrijkste woord is la casa, maar de meeste Spanjaarden wonen niet in een casa. Ze wonen in een piso: een appartement in een flatgebouw. Dat woord piso gaat je nog vaker verwarren, want het betekent ook "verdieping" en "vloer". De HOOFDLETTERS in de uitspraak geven de klemtoon aan.
| Nederlands | Spaans | Uitspraak |
|---|---|---|
| het huis | la casa | la KA-sa |
| het appartement, de flat | el piso | el PIE-so |
| de woning (formeel) | la vivienda | la bie-BJEN-da |
| de vrijstaande woning, villa | el chalet | el tsja-LE |
| het (flat)gebouw | el edificio | el e-die-FIE-sjo |
| de verdieping | la planta / el piso | la PLAN-ta |
| de begane grond | la planta baja | la PLAN-ta BA-cha |
| de lift | el ascensor | el as-sen-SOR |
| de trap | la escalera | la es-ka-LE-ra |
| de deur | la puerta | la PWER-ta |
| het raam | la ventana | la ben-TA-na |
| de sleutel | la llave | la JA-be |
| de buurman, de buurvrouw | el vecino, la vecina | el be-SIE-no |
| thuis | en casa | en KA-sa |
Let op dat laatste woord: "thuis" is en casa, zonder lidwoord. Estoy en casa betekent "ik ben thuis" en voy a casa is "ik ga naar huis". Zeg je estoy en la casa, dan klinkt het alsof je in een specifiek gebouw staat. Waarom elk woord el of la krijgt, lees je in el of la in het Spaans.
Kamers in het Spaans
Een Spaanse woning heeft dezelfde kamers als een Nederlandse, maar een paar woorden hebben meerdere vormen. De slaapkamer heet el dormitorio, la habitación of el cuarto, en dat betekent alle drie hetzelfde. Op de makelaarssite zie je habitaciones: "een piso met drie habitaciones" heeft drie slaapkamers, niet drie kamers in totaal.
| Nederlands | Spaans | Uitspraak |
|---|---|---|
| de keuken | la cocina | la ko-SIE-na |
| de woonkamer | el salón | el sa-LON |
| de eetkamer | el comedor | el ko-me-DOR |
| de slaapkamer | el dormitorio / la habitación | el dor-mie-TO-rjo / la a-bie-ta-SJON |
| de badkamer | el cuarto de baño / el baño | el KWAR-to de BA-njo |
| het toilet (apart) | el aseo | el a-SE-o |
| de hal, de gang | el pasillo | el pa-SIE-jo |
| de entree, de hal bij de voordeur | la entrada / el recibidor | la en-TRA-da |
| het balkon | el balcón | el bal-KON |
| het terras, het dakterras | la terraza | la te-RA-sa |
| de tuin | el jardín | el char-DIEN |
| de garage | el garaje | el ga-RA-che |
| de berging | el trastero | el tras-TE-ro |
| de zolder, de bovenste etage | el ático | el A-tie-ko |
| de kelder | el sótano | el SO-ta-no |
| de binnenplaats | el patio | el PA-tjo |
Twee valkuilen. El ático is in Spanje geen stoffige zolder maar de bovenste verdieping met dakterras, vaak het duurste appartement van het gebouw. En la terraza is zowel het dakterras als het terras van een café. Als je bij iemand thuis naar het toilet vraagt, zeg je ¿Dónde está el baño?, ook als je alleen de wc zoekt.
De woonkamer: meubels in het Spaans
Meubels zijn los muebles. Het woord is mannelijk: el mueble, niet la mueble. Dit zijn de meubels en spullen die in elke salón staan.
| Nederlands | Spaans | Nederlands | Spaans |
|---|---|---|---|
| de bank | el sofá (so-FA) | de fauteuil | el sillón |
| de tafel | la mesa | de stoel | la silla (SIE-ja) |
| de boekenkast | la estantería | de plank | el estante |
| de televisie | la televisión / la tele | de lamp | la lámpara |
| het tapijt, het vloerkleed | la alfombra | de gordijnen | las cortinas |
| het salontafeltje | la mesita | het schilderij | el cuadro |
| de open haard | la chimenea | de plant | la planta |
| de muur | la pared | de vloer | el suelo |
| het plafond | el techo | het dak | el tejado |
| de verwarming | la calefacción | de airco | el aire acondicionado |
Let op el sofá: het eindigt op een a, maar het is mannelijk. En el techo is het plafond, niet het dak; het dak is el tejado. Wil je zeggen waar iets staat (el sofá está al lado de la ventana), dan heb je de plaatsvoorzetsels nodig: en, sobre, debajo de, al lado de, delante de, detrás de, entre. Die leer je in voorzetsels in het Spaans.
De keuken in het Spaans
La cocina is de keuken, maar ook het fornuis én het koken zelf (la cocina española is de Spaanse keuken). In een Spaanse keuken staat bijna altijd de wasmachine, want een aparte wasruimte hebben de meeste appartementen niet.
| Nederlands | Spaans | Nederlands | Spaans |
|---|---|---|---|
| de koelkast | el frigorífico / la nevera | de vriezer | el congelador |
| de oven | el horno (OR-no) | de magnetron | el microondas |
| de vaatwasser | el lavavajillas | de wasmachine | la lavadora |
| de gootsteen | el fregadero | het aanrecht | la encimera |
| het fornuis, de kookplaat | la cocina / la vitrocerámica | de afzuigkap | la campana |
| de keukenkastjes | los armarios | de la | el cajón |
| de pan (koekenpan) | la sartén | de kookpan | la olla / la cazuela |
| het bord | el plato | het glas | el vaso |
| het bestek | los cubiertos | het mes, de vork, de lepel | el cuchillo, el tenedor, la cuchara |
| de kraan | el grifo | de vuilnisbak | la basura / el cubo |
Nevera en frigorífico betekenen hetzelfde; thuis hoor je vaker nevera, in de winkel frigorífico. En pas op met la campana: dat is een klok of een bel, maar in de keuken de afzuigkap. Alles wat er in die koelkast ligt, vind je in eten en drinken in het Spaans.
De slaapkamer en de badkamer
In de slaapkamer staan la cama en el armario. Dat laatste woord gebruik je voor elke kast: de kledingkast, de keukenkastjes en de badkamerkast. En el baño is de badkamer, maar Spanjaarden gebruiken het ook gewoon voor het toilet.
| Nederlands | Spaans | Nederlands | Spaans |
|---|---|---|---|
| het bed | la cama | de kledingkast | el armario |
| het kussen | la almohada (al-mo-A-da) | het laken | la sábana |
| de deken | la manta | het dekbed | el edredón |
| het nachtkastje | la mesita de noche | de wekker | el despertador |
| de spiegel | el espejo | de douche | la ducha |
| het bad | la bañera | de wastafel | el lavabo |
| de wc, het toilet | el váter / el inodoro | de handdoek | la toalla (to-A-ja) |
| de zeep | el jabón (cha-BON) | de shampoo | el champú |
| de tandenborstel | el cepillo de dientes | het toiletpapier | el papel higiénico |
Spanjaarden zeggen el váter (van het Engelse water closet) voor de wc-pot; el inodoro is het nette woord dat je in de bouwmarkt ziet. Wat je in de badkamer doet (ducharse, lavarse los dientes, peinarse) zijn allemaal wederkerende werkwoorden; hoe die werken, lees je in wederkerende werkwoorden in het Spaans.
Je huis beschrijven in het Spaans
De vraag die je het vaakst krijgt is ¿Dónde vives? (waar woon je?). Het antwoord begint bijna altijd met vivo en. Daarna beschrijf je je huis met tener (hebben) en hay (er is / er zijn).
- Vivo en un piso en el centro de Valencia. - Ik woon in een appartement in het centrum van Valencia.
- Vivo en una casa con jardín, en un pueblo pequeño. - Ik woon in een huis met tuin, in een klein dorp.
- Vivo en el tercer piso, sin ascensor. - Ik woon op de derde verdieping, zonder lift.
- Mi piso tiene tres habitaciones, dos baños y una terraza grande. - Mijn appartement heeft drie slaapkamers, twee badkamers en een groot terras.
- Hay una cocina americana y un salón muy luminoso. - Er is een open keuken en een heel lichte woonkamer.
- El dormitorio da a la calle. - De slaapkamer kijkt uit op de straat.
- Es un piso exterior, con mucha luz. - Het is een appartement aan de buitenkant van het gebouw, met veel licht.
- Vivo con mi pareja y dos gatos. - Ik woon met mijn partner en twee katten.
Handige bijvoeglijke naamwoorden: grande (groot), pequeño (klein), luminoso (licht), oscuro (donker), antiguo (oud), moderno (modern), reformado (gerenoveerd), amueblado (gemeubileerd), tranquilo (rustig), ruidoso (lawaaiig), céntrico (centraal gelegen). Vergeet niet dat ze meebuigen met het woord: una casa pequeña, un piso pequeño. Hoe dat precies werkt, lees je in bijvoeglijke naamwoorden in het Spaans. Het verschil tussen hay en está (er is een keuken / de keuken is daar) leggen we uit in er is en er zijn in het Spaans, en de verdiepingen (primero, segundo, tercero) oefen je in rangtelwoorden in het Spaans.
Een huis huren of kopen: de woorden die je nodig hebt
Ga je een huis huren of kopen in Spanje, dan kom je dezelfde woorden steeds tegen op Idealista, in de krant en bij de makelaar. Huren is alquilar, kopen is comprar. Het Engelse rentar bestaat in Spanje niet.
| Spaans | Uitspraak | Nederlands |
|---|---|---|
| se alquila / se vende | se al-KIE-la / se BEN-de | te huur / te koop |
| el alquiler | el al-kie-LER | de huur (het bedrag en het huren) |
| la fianza | la FJAN-sa | de borg |
| el casero, la casera | el ka-SE-ro | de huisbaas |
| el inquilino | el ien-kie-LIE-no | de huurder |
| la inmobiliaria | la ien-mo-bie-LJA-rja | de makelaar (het kantoor) |
| la hipoteca | la ie-po-TE-ka | de hypotheek |
| los gastos de comunidad | los GAS-tos de ko-moe-nie-DAD | de servicekosten (VvE) |
| amueblado / sin amueblar | a-mwe-BLA-do | gemeubileerd / ongemeubileerd |
| exterior / interior | eks-te-RJOR | met ramen aan de straat / aan de binnenplaats |
| la mudanza | la moe-DAN-sa | de verhuizing |
| mudarse | moe-DAR-se | verhuizen |
Zinnen die je bij de makelaar gebruikt: Busco un piso de dos habitaciones para alquilar. (Ik zoek een tweekamerappartement om te huren.) ¿Cuánto es el alquiler al mes? (Hoeveel is de huur per maand?) ¿Los gastos están incluidos? (Zijn de kosten inbegrepen?) ¿Está amueblado? (Is het gemeubileerd?) En als je verhuist: Nos mudamos en septiembre.
Het huishouden: werkwoorden voor in huis
Het huishouden doen is hacer las tareas de la casa of gewoon limpiar. Dit zijn de werkwoorden die je in elk Spaans huis hoort.
| Nederlands | Spaans | Voorbeeld |
|---|---|---|
| schoonmaken | limpiar | Limpio la cocina los sábados. |
| afwassen | fregar los platos / lavar los platos | ¿Quién friega hoy? |
| de was doen | poner la lavadora | Voy a poner la lavadora. |
| het bed opmaken | hacer la cama | Haz la cama antes de salir. |
| stofzuigen | pasar la aspiradora | Paso la aspiradora cada semana. |
| vegen | barrer | Barro la terraza. |
| dweilen | fregar el suelo | Hay que fregar el suelo. |
| opruimen | ordenar / recoger | Recoge tu habitación. |
| de tafel dekken | poner la mesa | ¿Pones la mesa? |
| het vuilnis buitenzetten | sacar la basura | Saca la basura, por favor. |
| strijken | planchar | Odio planchar. |
| koken | cocinar | Mi padre cocina muy bien. |
Let op fregar: dat betekent zowel afwassen (fregar los platos) als dweilen (fregar el suelo). Zegt een Spanjaard voy a fregar, dan bedoelt hij meestal de afwas. De kleuren van je muren (las paredes son blancas) vind je in kleuren in het Spaans.
Overzicht in één beeld
Veelgemaakte fouten
✓ Correct: Estoy en casa. / Voy a casa.
Uitleg: Thuis is en casa en naar huis is a casa, zonder lidwoord. Met la casa praat je over een specifiek gebouw.
✓ Correct: El sofá es cómodo.
Uitleg: Sofá eindigt op een a maar is mannelijk, net als el día en el mapa.
✓ Correct: Alquilo un piso en Madrid.
Uitleg: Rentar is Engels en Latijns-Amerikaans. In Spanje huur je met alquilar, en de huur is el alquiler.
✓ Correct: Vivo en el tercer piso. / Vivo en el tercero.
Uitleg: Verdiepingen krijgen een rangtelwoord: primer, segundo, tercer piso. Piso tres klinkt als een huisnummer.
✓ Correct: Mi piso tiene dos habitaciones.
Uitleg: Op de Spaanse woningmarkt tel je alleen de slaapkamers: habitaciones of dormitorios. Woonkamer en keuken tellen niet mee.
Oefening: het huis in het Spaans
Vul in of kies. De antwoorden staan onder de streep.
1. Ik ben thuis. → Estoy _______ casa.
2. Waar is de badkamer? → ¿Dónde está el _______?
3. Welk woord betekent appartement?
a) la planta
b) el piso
c) el suelo
4. De keuken → la _______
5. Ik woon op de tweede verdieping. → Vivo en el _______ piso.
6. Wat is el ático in Spanje?
a) een stoffige zolder
b) de bovenste verdieping, vaak met dakterras
c) de kelder
7. Te huur → Se _______
8. Het bed opmaken → _______ la cama
Antwoorden: 1: en, 2: baño, 3-b, 4: cocina, 5: segundo, 6-b, 7: alquila, 8: hacer
In onze gratis cursus Spaans krijg je hier veel meer van: video-uitleg, oefeningen en persoonlijke hulp bij elke les.
👉 Volg hier gratis de cursus Spaans
Veelgestelde vragen over het huis in het Spaans
Hoe zeg je huis in het Spaans?
Huis is la casa (KA-sa). Een appartement is el piso, en de meeste Spanjaarden in de stad wonen in een piso. Thuis is en casa, zonder lidwoord: estoy en casa.
Wat betekent piso in het Spaans?
El piso heeft drie betekenissen: het appartement (vivo en un piso), de verdieping (el tercer piso) en de vloer (el piso está mojado). Voor de vloer zeggen Spanjaarden vaker el suelo.
Hoe heten de kamers in het Spaans?
De keuken is la cocina, de woonkamer el salón, de slaapkamer el dormitorio of la habitación, de badkamer el cuarto de baño of el baño, de gang el pasillo en het balkon el balcón.
Hoe zeg je meubels in het Spaans?
Meubels zijn los muebles, mannelijk. De belangrijkste: el sofá (bank), la mesa (tafel), la silla (stoel), la cama (bed), el armario (kast) en la estantería (boekenkast).
Wat is het verschil tussen habitación, dormitorio en cuarto?
Alle drie betekenen ze slaapkamer, en habitación en cuarto kunnen ook gewoon kamer betekenen. Op de woningmarkt betekent un piso de tres habitaciones een appartement met drie slaapkamers.
Hoe zeg je ik woon in een appartement in het Spaans?
Vivo en un piso. Wil je meer vertellen: Vivo en un piso de dos habitaciones en el centro, en el segundo piso. Waar woon je? is ¿Dónde vives?
Hoe zeg je huren in het Spaans?
Huren is alquilar en de huur is el alquiler: Alquilo un piso por 800 euros al mes. Te huur is se alquila, te koop is se vende. Het woord rentar wordt in Spanje niet gebruikt.
Hoe zeg je waar is de badkamer in het Spaans?
¿Dónde está el baño? Dat gebruik je ook als je alleen het toilet zoekt, thuis en in een restaurant. Een apart toilet zonder douche heet el aseo.
Spaans leren met onze cursussen
Gebruik deze blog als opstap om verder te leren met onze online cursussen. Of je nu net begint of al gevorderd bent, je leert stap voor stap vloeiend Spaans spreken met persoonlijke begeleiding van twee docenten.
✨ Of bekijk het volledige overzicht: Bekijk alle cursussen Spaans.
🧭 Benieuwd wat jouw niveau is? Doe de gratis taaltest Spaans en ontdek direct welke cursus bij jou past.
👉 Bekijk hier onze complete bloghub Spaans leren
🎁 Start hier de gratis cursus Spaans (inclusief app) en leer de basis met leuke video's en oefeningen.
Saludos,
Lusiana y Leroy ❤️
🇪🇸 KRIJG ONZE GRATIS ONLINE CURSUS SPAANS! 🇪🇸
De leukste en beste manier om goed Spaans te leren spreken
✅ Gratis (en heel leuk!❤️)
✅ Videolessen, quizzen, podcasts en ebooks.
✅ Persoonlijke hulp in onze online leeromgeving (en ja, ook gratis!)
Na aanmelden ontvang je jouw inlogcode en instructies via email.
Al meer dan 30.000 mensen doen mee, jij ook?
We zullen jouw informatie nooit verkopen, om welke reden dan ook.