Pensar Vervoegen: Denken in het Spaans + Pensar en en que
Oct 31, 2026Pensar vervoegen is niet moeilijk, maar je moet één ding onthouden: de e in de stam wordt ie. Niet penso maar pienso (ik denk). Alleen bij nosotros en vosotros blijft de e staan: pensamos, pensáis. Het echte werk zit in het woordje erna. Denk je aan iemand, dan is dat pensar en. Vind je iets van iemand, dan is dat pensar de. Denk je dat iets zo is, dan is dat pensar que. Haal je ze door elkaar, dan zeg je iets anders dan je bedoelt. In deze blog krijg je alle vormen met uitspraak, het verschil met creer, de truc voor "van plan zijn" (pienso ir) en de uitdrukkingen die Spanjaarden dagelijks gebruiken, van ¡ni pensarlo! tot lo pensaré.
🇪🇸 Gratis cursus Spaans (inclusief app)
Video's, oefeningen en persoonlijke hulp. Vul je naam en e-mail in en je zit binnen 2 minuten in je eerste les.
📚 Inhoudsopgave
- Wat betekent pensar? Denken in het Spaans met pensar, creer en opinar
- Pensar vervoegen in de tegenwoordige tijd: pienso, piensas, piensa
- Pensar vervoegen in de pretérito indefinido: pensé, pensaste, pensó
- Pensar vervoegen in de imperfecto: pensaba, pensabas, pensaba
- Pensar in de futuro en condicional: pensaré en pensaría
- Pensar en, pensar de of pensar que: wat is het verschil?
- Pensar + infinitivo: van plan zijn in het Spaans (pienso ir)
- Pienso que of no pienso que: wanneer gebruik je de subjuntivo?
- Uitdrukkingen met pensar: ni pensarlo, piénsalo, lo pensaré
- Overzicht in één beeld
- Veelgemaakte fouten
- Oefening
- Veelgestelde vragen
- Spaans leren met onze cursussen
Wat betekent pensar? Denken in het Spaans met pensar, creer en opinar
Denken in het Spaans is pensar (pen-SAR). Het betekent denken, nadenken en ook van plan zijn. Daarnaast heb je creer (geloven, denken dat), opinar (van mening zijn) en parecer (lijken, zoals in me parece que: ik vind). In een gesprek hoor je creo que zelfs vaker dan pienso que.
| Spaans | Nederlands | Wanneer |
|---|---|---|
| Pienso que es buena idea. | Ik denk dat het een goed idee is. | je mening, je hebt erover nagedacht |
| Creo que viene mañana. | Ik denk dat hij morgen komt. | je vermoedt iets, meest gebruikt |
| Me parece que está cerrado. | Volgens mij is het dicht. | je indruk, letterlijk: het lijkt me |
| Opino que tienes razón. | Ik vind dat je gelijk hebt. | mening, iets formeler |
| ¿En qué piensas? | Waar denk je aan? | aan iets denken: alleen pensar |
| Pienso ir en coche. | Ik ben van plan met de auto te gaan. | een plan: alleen pensar |
Het verschil tussen pensar que en creer que is klein. Creo que zeg je als je iets vermoedt, pienso que als je een mening geeft. Twijfel je, pak dan creo que. "Ik denk het wel" is creo que sí, "ik denk het niet" is creo que no. Alleen pensar betekent ook nadenken (déjame pensar, laat me nadenken) en van plan zijn. En het zinnetje voor als je nog niet weet wat je denkt, no sé (ik weet het niet), staat met andere korte zinnetjes in onze veelgebruikte Spaanse uitdrukkingen.
Pensar vervoegen in de tegenwoordige tijd: pienso, piensas, piensa
Pensar in de tegenwoordige tijd is pienso, piensas, piensa, pensamos, pensáis, piensan. De e van de stam wordt ie in vier van de zes vormen. Bij nosotros en vosotros gebeurt dat niet, omdat de klemtoon daar op de uitgang ligt en niet op de stam.
| Persoon | Vorm | Uitspraak | Voorbeeld |
|---|---|---|---|
| yo | pienso | PIEN-so | Pienso en ti todos los días. Ik denk elke dag aan jou. |
| tú | piensas | PIEN-sas | ¿Qué piensas de la casa? Wat vind je van het huis? |
| él / ella / usted | piensa | PIEN-sa | Piensa que es caro. Hij denkt dat het duur is. |
| nosotros | pensamos | pen-SA-mos | Pensamos ir a Valencia en mayo. We zijn van plan in mei naar Valencia te gaan. |
| vosotros | pensáis | pen-SAIS | ¿Qué pensáis hacer? Wat zijn jullie van plan te doen? |
| ellos / ellas / ustedes | piensan | PIEN-san | Mis padres piensan lo mismo. Mijn ouders denken hetzelfde. |
Dit patroon heet de schoenvorm: teken een lijn om yo, tú, él en ellos en je hebt een schoen. Binnen de schoen verandert de klinker, erbuiten niet. Precies hetzelfde gebeurt bij querer (quiero, queremos), empezar (empiezo, empezamos) en entender (entiendo). Vergelijk maar met querer vervoegen en empezar vervoegen. Let bij pensáis op het accent op de a.
Pensar vervoegen in de pretérito indefinido: pensé, pensaste, pensó
De verleden tijd (pretérito indefinido) van pensar is pensé, pensaste, pensó, pensamos, pensasteis, pensaron. Helemaal regelmatig, en zonder ie: de klemtoon ligt in deze tijd op de uitgang, dus de e blijft gewoon een e.
| Persoon | Vorm | Uitspraak | Voorbeeld |
|---|---|---|---|
| yo | pensé | pen-SE | Pensé que no venías. Ik dacht dat je niet kwam. |
| tú | pensaste | pen-SAS-te | ¿Pensaste en lo que te dije? Heb je nagedacht over wat ik je zei? |
| él / ella / usted | pensó | pen-SO | Pensó un momento y dijo que sí. Hij dacht even na en zei ja. |
| nosotros | pensamos | pen-SA-mos | Pensamos lo mismo. We dachten hetzelfde. |
| vosotros | pensasteis | pen-SAS-teis | ¿Pensasteis en ello? Hebben jullie erover nagedacht? |
| ellos / ellas / ustedes | pensaron | pen-SA-ron | No pensaron en las consecuencias. Ze dachten niet aan de gevolgen. |
De accenten op pensé en pensó zijn geen versiering. Pensó is hij dacht, en penso zonder accent bestaat niet. En pensamos is in de tegenwoordige en de verleden tijd hetzelfde woord. De rest van de zin maakt het duidelijk: ayer pensamos is gisteren dachten we.
Pensar vervoegen in de imperfecto: pensaba, pensabas, pensaba
De imperfecto van pensar is pensaba, pensabas, pensaba, pensábamos, pensabais, pensaban. Regelmatig, en de vorm voor yo en él is gelijk. Dit is de tijd voor wat je vroeger dacht, of wat je aannam voordat je beter wist.
| Persoon | Vorm | Uitspraak | Voorbeeld |
|---|---|---|---|
| yo | pensaba | pen-SA-ba | Pensaba que eras español. Ik dacht dat je Spaans was. |
| tú | pensabas | pen-SA-bas | ¿Pensabas en mí? Dacht je aan mij? |
| él / ella / usted | pensaba | pen-SA-ba | Pensaba comprar un piso. Hij was van plan een appartement te kopen. |
| nosotros | pensábamos | pen-SA-ba-mos | Pensábamos que estaba abierto. We dachten dat het open was. |
| vosotros | pensabais | pen-SA-bais | ¿Qué pensabais hacer? Wat waren jullie van plan te doen? |
| ellos / ellas / ustedes | pensaban | pen-SA-ban | Siempre pensaban en el dinero. Ze dachten altijd aan geld. |
Het verschil met de indefinido hoor je bij pensar goed. Pensé que is een gedachte die op één moment opkwam: pensé que eras tú, ik dacht (even) dat jij het was. Pensaba que is wat je al een tijd aannam, meestal ten onrechte: pensaba que la playa estaba más cerca, ik dacht dat het strand dichterbij was. Let op het accent in pensábamos. Wanneer je welke verleden tijd pakt, lees je in ons overzicht van de Spaanse werkwoordstijden.
Pensar in de futuro en condicional: pensaré en pensaría
De toekomende tijd van pensar is pensaré, pensarás, pensará, pensaremos, pensaréis, pensarán: het hele werkwoord plus de uitgang. De condicional (zou-vorm) is pensaría, pensarías, pensaría, pensaríamos, pensaríais, pensarían. Allebei regelmatig, allebei zonder ie.
| Persoon | Futuro | Uitspraak | Voorbeeld |
|---|---|---|---|
| yo | pensaré | pen-sa-RE | Lo pensaré. Ik zal erover nadenken. |
| tú | pensarás | pen-sa-RAS | Pensarás que estoy loco. Je zult wel denken dat ik gek ben. |
| él / ella / usted | pensará | pen-sa-RA | ¿Qué pensará la gente? Wat zullen de mensen denken? |
| nosotros | pensaremos | pen-sa-RE-mos | Ya pensaremos en algo. We bedenken wel iets. |
| vosotros | pensaréis | pen-sa-REIS | Ya pensaréis de otra forma. Jullie denken er nog wel anders over. |
| ellos / ellas / ustedes | pensarán | pen-sa-RAN | Pensarán que estamos locos. Ze zullen denken dat we gek zijn. |
De futuro is bij pensar vaak een vermoeden: ¿qué pensará? is "wat zal hij wel niet denken?". En lo pensaré is het beleefde Spaanse nee. De condicional hoor je vooral in yo pensaría en otra opción (ik zou aan een andere optie denken) en ¿tú qué pensarías? (wat zou jij denken?). Uitspraak: pen-sa-RIE-a, klemtoon op de i.
Pensar en, pensar de of pensar que: wat is het verschil?
Pensar en is denken aan of nadenken over (pienso en ti, ik denk aan jou). Pensar de is vinden van, een mening over iets of iemand hebben (¿qué piensas de Madrid?, wat vind je van Madrid?). Pensar que is denken dat (pienso que tienes razón, ik denk dat je gelijk hebt).
| Constructie | Betekenis | Voorbeeld |
|---|---|---|
| pensar en + persoon | denken aan | Pienso mucho en mi abuela. Ik denk veel aan mijn oma. |
| pensar en + infinitivo | overwegen om | Estoy pensando en cambiar de trabajo. Ik overweeg een andere baan. |
| pensar de + persoon of ding | vinden van, een mening hebben over | ¿Qué piensas de mi hermano? Wat vind je van mijn broer? |
| pensar que + zin | denken dat | Pienso que es demasiado tarde. Ik denk dat het te laat is. |
De grote valkuil voor Nederlanders is "denken aan". Wij zeggen aan, dus de verleiding is pensar a. Dat bestaat niet. Denken aan is altijd pensar en. Zeg je pienso de ti, dan vraagt een Spanjaard: wat denk je dan van mij? Want pensar de is een oordeel. "Wat denk je ervan?" is ¿qué piensas de...? of, nog Spaanser, ¿qué te parece?. Handige test: goed of slecht vinden is de, een hele zin erachter is que, de rest is en. Meer kleine woordjes die net anders zijn dan in het Nederlands vind je in onze uitleg over voorzetsels in het Spaans.
Pensar + infinitivo: van plan zijn in het Spaans (pienso ir)
Van plan zijn in het Spaans is pensar plus een heel werkwoord, zonder voorzetsel ertussen: pienso ir, ik ben van plan te gaan. Geen a, geen en, geen de. Je zet de twee werkwoorden gewoon achter elkaar.
| Spaans | Nederlands |
|---|---|
| Pienso ir a España en verano. | Ik ben van plan in de zomer naar Spanje te gaan. |
| ¿Piensas venir a la fiesta? | Ben je van plan naar het feest te komen? |
| Pensamos quedarnos una semana. | We zijn van plan een week te blijven. |
| No pienso pagar eso. | Ik denk er niet aan dat te betalen. |
| Tengo pensado jubilarme en Alicante. | Ik heb het plan om in Alicante met pensioen te gaan. |
Let op de ontkenning, die is sterker dan je denkt: no pienso pagar is "ik denk er niet aan". Tengo pensado ir is hetzelfde plan, maar al wat concreter. En voy a ir? Ook een plan, maar zekerder: pienso ir is "ik heb het idee om te gaan", voy a ir is "ik ga". Die vorm leggen we uit in ir a + infinitivo.
Pienso que of no pienso que: wanneer gebruik je de subjuntivo?
Na no pienso que gebruik je de subjuntivo: no pienso que sea verdad. Na pienso que gebruik je de gewone vorm (indicativo): pienso que es verdad. Hetzelfde geldt voor creo que en no creo que. Zodra je denkt dat iets niet zo is, verandert het werkwoord in de bijzin.
| Bevestigend (indicativo) | Ontkennend (subjuntivo) |
|---|---|
| Pienso que es verdad. Ik denk dat het waar is. | No pienso que sea verdad. Ik denk niet dat het waar is. |
| Creo que viene. Ik denk dat hij komt. | No creo que venga. Ik denk niet dat hij komt. |
| Pienso que tienes razón. Ik denk dat je gelijk hebt. | No pienso que tengas razón. Ik denk niet dat je gelijk hebt. |
De logica: zeg je dat iets zo is, dan geef je het als feit. Zeg je dat iets niet zo is, dan twijfel je, en twijfel is subjuntivo. In een vraag (¿piensas que es verdad?) blijft het indicativo. Pensar heeft ook eigen subjuntivo-vormen, met dezelfde schoen: piense voor yo, pensemos voor nosotros. Alle vormen en regels staan in onze uitleg over de presente de subjuntivo. De twee overige vormen zijn regelmatig: het voltooid deelwoord pensado (he pensado mucho en ello, ik heb er veel over nagedacht) en de gerundio pensando (estoy pensando en ti, ik denk aan je). Zinnen als no creo que venga moet je een paar keer hardop zeggen. Dat kan zonder dat iemand meeluistert: Spaans spreken oefenen met de Spreekapp.
Uitdrukkingen met pensar: ni pensarlo, piénsalo, lo pensaré
De drie uitdrukkingen met pensar die je het meest hoort zijn ¡ni pensarlo! (geen sprake van!), piénsalo (denk erover na) en lo pensaré (ik zal erover nadenken). Vaak hoor je ze in één gesprek: een voorstel, ¡ni pensarlo!, piénsalo, en dan vale, lo pensaré.
| Spaans | Nederlands | Uitspraak |
|---|---|---|
| ¡Ni pensarlo! | Geen sprake van! / Denk er niet aan! | ni pen-SAR-lo |
| Piénsalo. | Denk erover na. | PIEN-sa-lo |
| Piénsatelo bien. | Denk er goed over na. | PIEN-sa-te-lo bien |
| Lo pensaré. | Ik zal erover nadenken. | lo pen-sa-RE |
| Me lo voy a pensar. | Ik ga erover nadenken. | me lo boi a pen-SAR |
| Pensándolo bien... | Nu ik er goed over nadenk... / Bij nader inzien... | pen-SAN-do-lo bien |
| No lo pienses más. | Pieker er niet langer over. | no lo PIEN-ses mas |
Piénsalo is de gebiedende wijs piensa met lo (het) eraan vast. De klemtoon blijft op dezelfde plek, maar daar moet nu een accent voor. Hoe dat werkt met die aangeplakte woordjes lees je in onze uitleg over de gebiedende wijs in het Spaans. Piénsatelo en me lo voy a pensar komen van pensarse, de wederkerende vorm voor een echte beslissing. ¡Ni pensarlo! zeg je als iemand iets voorstelt wat je echt niet wilt: ¿Vamos a la playa con esta lluvia? ¡Ni pensarlo!
Overzicht in één beeld
Veelgemaakte fouten
✓ Correct: Pienso en ti.
Uitleg: Denken aan is pensar en, altijd. Pensar de is een mening hebben over: ¿qué piensas de mí? is wat vind je van mij.
✓ Correct: Pienso que es verdad.
Uitleg: De e wordt ie bij yo, tú, él en ellos: pienso, piensas, piensa, piensan. Alleen pensamos en pensáis houden de e. Andersom gaat het ook mis: piensamos bestaat niet.
✓ Correct: No pienso que sea buena idea.
Uitleg: Na no pienso que en no creo que volgt de subjuntivo: sea, niet es. Alleen bevestigend (pienso que es) blijft het indicativo.
✓ Correct: Pienso ir a España.
Uitleg: Van plan zijn is pensar plus infinitivo, zonder voorzetsel. De a komt uit voy a ir, maar bij pensar hoort hij er niet.
✓ Correct: ¿Qué piensas de la película?
Uitleg: Wat vind je van is ¿qué piensas de...?. Met en betekent het aan iets denken, en dan klopt de vraag niet meer. Nog natuurlijker: ¿qué te parece la película?
✓ Correct: Ayer pensé en ti.
Uitleg: Ik dacht is pensé, met accent op de e. Penso zonder accent bestaat niet, en pensó is hij of zij dacht. Eén accent maakt het verschil, dus schrijf hem.
Oefening: pensar vervoegen
Vul de juiste vorm van pensar in (of van het werkwoord tussen haakjes). De antwoorden staan eronder.
1. Yo _______ que tienes razón. (ik denk)
2. ¿_______ qué piensas? (waar denk je aan: en, de of que?)
3. Nosotros _______ ir a Sevilla en abril. (we zijn van plan)
4. Ayer _______ (yo) mucho en ti. (ik dacht, indefinido)
5. Cuando era niño, _______ (yo) que los adultos lo sabían todo. (imperfecto)
6. No pienso que _______ (ser) buena idea. (subjuntivo)
7. Vale, lo _______ (yo). (ik zal erover nadenken)
8. ¿Qué _______ (vosotros) de la nueva profesora? (wat vinden jullie)
9. Mis padres _______ que vivimos demasiado lejos. (zij denken)
10. _______ bien antes de contestar. (gebiedende wijs, tú)
Antwoorden: 1: pienso, 2: En (¿en qué piensas?), 3: pensamos, 4: pensé, 5: pensaba, 6: sea, 7: pensaré, 8: pensáis, 9: piensan, 10: Piensa (of piénsalo)
In onze gratis cursus Spaans krijg je hier veel meer van: video-uitleg, oefeningen en persoonlijke hulp bij elke les.
👉 Volg hier gratis de cursus Spaans
Veelgestelde vragen over pensar vervoegen
Hoe vervoeg je pensar in het Spaans?
Pensar vervoegen in de tegenwoordige tijd gaat zo: pienso, piensas, piensa, pensamos, pensáis, piensan. De e wordt ie, behalve bij nosotros en vosotros. In de verleden tijd is het pensé, pensó (indefinido) of pensaba (imperfecto), en in de toekomst pensaré.
Wat betekent pensar?
Pensar betekent denken en nadenken: pienso en ti is ik denk aan jou, déjame pensar is laat me nadenken. Met een heel werkwoord erachter betekent het van plan zijn: pienso ir, ik ben van plan te gaan.
Hoe zeg je denken in het Spaans?
Denken in het Spaans is pensar. Ik denk is pienso, ik denk dat is pienso que of creo que. Ik denk het wel is creo que sí, ik denk het niet is creo que no.
Wat is het verschil tussen pensar en en pensar de?
Pensar en is denken aan: pienso en mi familia, ik denk aan mijn familie. Pensar de is vinden van: ¿qué piensas de mi familia?, wat vind je van mijn familie? Denken aan is nooit pensar a.
Wat is het verschil tussen pienso que en creo que?
Pienso que en creo que betekenen allebei ik denk dat. Creo que is het meest gebruikt en zeg je als je iets vermoedt. Pienso que klinkt iets steviger, als een mening. Bij de ontkenning krijgen ze allebei de subjuntivo: no creo que sea.
Hoe zeg je ik denk aan jou in het Spaans?
Ik denk aan jou in het Spaans is pienso en ti (PIEN-so en ti). Ik denk veel aan jou is pienso mucho en ti, ik denk nu aan je is estoy pensando en ti. Het voorzetsel is en, niet a of de.
Wat betekent ni pensarlo?
¡Ni pensarlo! betekent geen sprake van, of denk er niet aan. Je zegt het als iemand iets voorstelt wat je echt niet wilt: ¿Salimos con esta lluvia? ¡Ni pensarlo! Een zachtere reactie is lo pensaré, ik zal erover nadenken.
Hoe zeg je van plan zijn in het Spaans?
Van plan zijn in het Spaans is pensar plus een heel werkwoord, zonder voorzetsel: pienso ir, ik ben van plan te gaan. ¿Qué piensas hacer? is wat ben je van plan te doen.
Spaans leren met onze cursussen
De klinkerwisseling van pensar zit er pas in als je hem vaak hardop gebruikt. In onze Spaanse cursus online oefen je dat in elke les. Of je nu net begint of al gevorderd bent, je leert stap voor stap vloeiend Spaans spreken met persoonlijke begeleiding van twee docenten.
✨ Bekijk alle niveaus van onze online cursus Spaans op een rij.
🧭 Benieuwd wat jouw niveau is? Doe de gratis taaltest Spaans en ontdek direct welke cursus bij jou past.
👉 Bekijk hier onze complete bloghub Spaans leren
🎁 Start hier de gratis cursus Spaans (inclusief app) en leer de basis met leuke video's en oefeningen.
Saludos,
Lusiana y Leroy ❤️
🇪🇸 KRIJG ONZE GRATIS ONLINE CURSUS SPAANS! 🇪🇸
De leukste en beste manier om goed Spaans te leren spreken
✅ Gratis (en heel leuk!❤️)
✅ Videolessen, quizzen, podcasts en ebooks.
✅ Persoonlijke hulp in onze online leeromgeving (en ja, ook gratis!)
Na aanmelden ontvang je jouw inlogcode en instructies via email.
Al meer dan 30.000 mensen doen mee, jij ook?
We zullen jouw informatie nooit verkopen, om welke reden dan ook.